Partijen, voormalige partners met een minderjarige dochter, hadden gezamenlijk gezag volgens Duits recht. Na beëindiging van hun relatie in 2012 verbleef de vader voornamelijk in Polen en was er beperkte communicatie over de zorg voor de minderjarige.
De moeder verzocht de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te wijzen, wat werd toegewezen. De vader kwam hiertegen in hoger beroep en verzocht het gezamenlijk gezag te herstellen.
Het hof oordeelde dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden sinds het gezamenlijk gezag werd gevestigd, onder meer doordat de moeder feitelijk alleen het gezag uitoefende en de communicatie tussen ouders gebrekkig was. Ook achtte het hof het niet passend dat de negenjarige dochter zelf de omgang regelt en vond het bespreken van bepaalde onderwerpen door de vader niet in het belang van het kind.
Daarom werd het besluit tot beëindiging van het gezamenlijk gezag bekrachtigd en de moeder belast met het eenhoofdig gezag. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de moeder werd niet behandeld omdat het niet aan de orde kwam.