ECLI:NL:GHAMS:2017:2488
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Schorsing voorlopige hechtenis wegens uitzitten opgelegde gevangenisstraf
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland die een bevel tot voorlopige hechtenis bevatte. Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder de beschikking waarvan beroep, en heeft zowel de advocaat-generaal als de verdachte gehoord.
Het hof is van oordeel dat er voldoende ernstige bezwaren zijn om de voorlopige hechtenis te handhaven. Tegelijkertijd erkent het hof dat het uitzitten van een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf in principe een gunstigere vorm van vrijheidsbeneming is dan voorlopige hechtenis. Daarom acht het hof de voorwaarden aanwezig om de voorlopige hechtenis tijdelijk te schorsen, zodat verdachte de opgelegde straf met parketnummer 23/000925-12 kan ondergaan.
De schorsing geldt vanaf 22 juni 2017 tot het einde van de detentie wegens de opgelegde straf, tenzij de detentiefasering van die straf begint, in welk geval de schorsing eindigt. De schorsing is onder voorwaarden, waaronder medewerking aan identificatie en het niet plegen van strafbare feiten.
Het hof wijst het beroep tegen de voorlopige hechtenis af, wijst het verzoek tot schorsing toe en schorst de voorlopige hechtenis onder genoemde voorwaarden. De beschikking is gegeven in raadkamer op 21 juni 2017 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af maar schorst de voorlopige hechtenis zodat verdachte de opgelegde gevangenisstraf kan uitzitten.