Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen een incidenteel vonnis van de rechtbank Amsterdam dat hun vorderingen tot een provisioneel verbod op nakoming van een renteswapovereenkomst en tot inzage van documenten afwees. De renteswapovereenkomst was gesloten in het kader van een financieringsovereenkomst waarbij Continental zich als hoofdelijke medeschuldenaar had verbonden.
Appellanten stelden dat Rabobank c.s. de Euribor-rente manipuleerde en dat zij daardoor de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zouden hebben gesloten. De rechtbank wees de voorlopige voorzieningen af en sprak later een eindvonnis uit waarin de hoofdvorderingen van appellanten werden afgewezen.
Het hof oordeelt dat het hoger beroep tegen het incidentele vonnis niet kan slagen omdat inmiddels het eindvonnis is gewezen. De voorlopige voorziening kan daarom niet worden toegewezen. De vordering tot inzage op grond van artikel 843a Rv kan in een eventuele appelprocedure tegen het eindvonnis opnieuw worden ingesteld, maar nu is onvoldoende vastgesteld dat appellanten een rechtmatig belang hebben.
Het hof verwerpt het hoger beroep en veroordeelt appellanten in de kosten van het geding.