ECLI:NL:GHAMS:2017:2942
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis over gerechtvaardigd vertrouwen bij effectenleaseovereenkomsten
In deze zaak ging het om de vraag wie de contractspartij was bij twee effectenleaseovereenkomsten die op naam van de echtgenoot van appellante stonden, maar waarbij appellante de betalingen verrichtte en de post ontving. Appellante stelde dat zij zelf de contractspartij was en dat de overeenkomsten vernietigd moesten worden omdat haar echtgenoot geen toestemming had gegeven.
Het hof oordeelde dat Dexia er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de echtgenoot de contractspartij was, op grond van art. 3:35 BW Pro. Dit vertrouwen was gebaseerd op het feit dat de overeenkomsten op zijn naam stonden, de correspondentie aan hem was gericht en dat appellante Dexia niet had geïnformeerd dat zij zelf de contractspartij was. De wijziging van de tenaamstelling was gedaan om fiscale redenen, waarbij het de bedoeling was dat de echtgenoot als contractspartij werd beschouwd.
De grieven van appellante en haar echtgenoot faalden omdat zij uitgingen van een onjuiste veronderstelling dat het hof het oordeel baseerde op vertegenwoordiging. Het hof bekrachtigde het vonnis waarvan beroep en veroordeelde appellante en haar echtgenoot in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellante en haar echtgenoot af.