ECLI:NL:GHAMS:2017:324

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 februari 2017
Publicatiedatum
9 februari 2017
Zaaknummer
23-003197-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 180 SrArt. 267 SrArt. 184 SrArt. 53 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wederspannigheid wegens onvoldoende bewijs geweld tegen opsporingsambtenaar

Deze zaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte werd verdacht van wederspannigheid tegen een opsporingsambtenaar op 5 oktober 2013. De tenlastelegging omvatte twee feiten: het belemmeren van een opsporingsambtenaar bij zijn taak en het zich met geweld verzetten tegen deze ambtenaar, waarbij lichamelijk letsel zou zijn toegebracht.

Tijdens het hoger beroep heeft het hof het dossier en de processtukken bestudeerd en geconcludeerd dat onvoldoende bewijs bestaat voor het eerste feit, omdat niet is vastgesteld dat de opsporingsambtenaar een onbekende persoon had aangehouden. Voor het tweede feit oordeelt het hof dat hoewel verdachte niet meewerkte en er sprake was van een valpartij, niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte zich opzettelijk gewelddadig verzette in de zin van artikel 180 Sr Pro.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij is in eerste aanleg deels toegewezen, maar nu verdachte in hoger beroep is vrijgesproken, verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze bij de burgerlijke rechter moet worden ingediend. Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en verdachte wordt vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van wederspannigheid wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk gewelddadig verzet.

Uitspraak

parketnummer: 23-003197-15
datum uitspraak: 9 februari 2017
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-110706-14 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
26 januari 2017.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1:hij op of omstreeks 5 oktober 2013 te Amsterdam toen [slachtoffer], belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten van een onbekend gebleven persoon als verdacht van overtreding van artikel 267 Wetboek Pro van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde die genoemde vooralsnog onbekend gebleven persoon, ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten ONBEKEND, deze door die opsporingsambtenaar ter uitvoering van het bepaalde in artikel 53 van Pro het Wetboek van Strafvordering ondernomen handeling(en) opzettelijk heeft belet en/of belemmerd en/of verijdeld, door [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of te duwen;
feit 2:hij op of omstreeks 5 oktober 2013 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij Dienst Stadstoezicht Amsterdam) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten politiebureau Meer en Vaart, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar [slachtoffer], werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig zich steeds te bewegen in een andere richting dan waarop voornoemde [slachtoffer] verdachte wilde hebben, ten gevolge waarvan de opsporingsambtenaar [slachtoffer] enig lichamelijk letsel (te weten schaafwonden aan knieën) bekwam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak feit 1

Uit de inhoud van het dossier kan niet worden afgeleid dat verbalisant [slachtoffer] een onbekend gebleven persoon heeft aangehouden en vastgegrepen, althans hem vast had, zoals ten laste is gelegd. Reeds om die reden moet de verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 2

Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte ook hiervan dient te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat niet iedere niet-meewerkende beweging wederspannigheid in de zin van artikel 180 van Pro het Wetboek van Strafrecht oplevert. Vereist is het zich met geweld of bedreiging met geweld verzetten.
Uit de zich bij de stukken bevindende processen-verbaal zoals opgemaakt door de betrokken verbalisanten blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte bij zijn aanhouding zeker niet meegaand is geweest.
Echter, gelet op de omstandigheden waaronder de aanhouding heeft plaatsgevonden, in het bijzonder dat de verdachte en verbalisant [slachtoffer] daarbij op de grond zijn gevallen, kan met onvoldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte zich vervolgens
opzettelijk gewelddadigsteeds heeft bewogen in een andere richting dan waarop de verbalisant verdachte wilde hebben zoals is tenlastegelegd.
Van dit feit zal de verdachte derhalve ook worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 100,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding, voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Nu de verdachte in hoger beroep van het hem ten laste gelegde wordt vrijgesproken, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.in haar vordering. Zij kan haar vordering nog slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. M.J.A. Duker en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van V.C. Langenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
9 februari 2017.