ECLI:NL:GHAMS:2017:3651

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 september 2017
Publicatiedatum
12 september 2017
Zaaknummer
23-001155-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 63 Sr
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens rijden onder invloed met 685 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht

Op 31 juli 2015 reed de verdachte te Amsterdam onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte van 685 microgram per liter, ruim drie keer het toegestane maximum. De politierechter veroordeelde hem tot een geldboete van €750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een rijontzegging van zes maanden.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en behandelde het hoger beroep op 29 augustus 2017. De raadsman van de verdachte voerde aan dat de wetgeving onrechtmatig zou zijn en dat de straf buitenproportioneel was vanwege een dodelijk ongeval waarbij de verdachte betrokken was. Het hof verwierp deze argumenten en hield vast aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte.

Het hof achtte het bewezen dat de verdachte bewust had gekozen om te rijden ondanks het hoge alcoholgehalte, waarmee hij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar bracht. De strafbepaling werd gebaseerd op de ernst van het feit en de draagkracht van de verdachte, waarbij de geldboete van €750,- en een rijontzegging van zes maanden passend werden geacht. De tijd dat het rijbewijs was ingevorderd werd in mindering gebracht.

Het hof oordeelde dat artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 niet onrechtmatig is en dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding geven tot strafvermindering. De straf is conform de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht passend en geboden.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 12 september 2017.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €750,- en een rijontzegging van zes maanden voor rijden onder invloed.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001155-17
datum uitspraak: 12 september 2017
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-161625-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 juli 2015 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 31 juli 2015 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 750,- , subsidiair 15 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft ter terechtzitting het hof verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder een straf of maatregel op te leggen. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het ongeval met dodelijke afloop op 31 juli 2015 te Amsterdam waarbij de verdachte betrokken was, ook nadelige gevolgen voor hem zelf heeft gehad, alsmede dat de verdachte bij een bestraffing ter zake van het ten laste gelegde feit buitenproportioneel gestraft zou worden door de automatische werking van het bepaalde in artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994. Daarnaast zou deze wetgeving onrechtmatig zijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en diens draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Het hof stelt voorop dat het bij de strafbepaling enkel rekening houdt met het onderhavige feit, hetgeen met zich brengt dat de door de raadsman geschetste gevolgen van het ongeval voor de verdachte door het hof in deze zaak als zijnde niet relevant buiten beschouwing worden gelaten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een auto onder invloed van alcoholhoudende drank. Het alcoholgehalte van zijn adem was ruim drie keer het toegestane gehalte, namelijk 685 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht.
Het hof overweegt dat de verdachte er bewust voor heeft gekozen om, wetende dat hij te veel had gedronken, toch met diens auto te gaan rijden. Dat andere opties wellicht moeilijk waren, doet hieraan, noch aan de ernst van het feit, af.
Anders dan de raadsman heeft opgeworpen, is er geen reden te oordelen dat sprake is van onrechtmatige wetgeving waar het artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 betreft. Gelet daarop is er evenmin reden om met de uit het bepaalde in dit artikel bij een veroordeling voortvloeiende negatieve gevolgen bij het bepalen van de strafmaat ten voordele van de verdachte rekening te houden.
Het hof ziet in hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dan ook geen reden om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Ook de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte geven het hof daartoe geen aanleiding.
In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte vindt het hof evenmin aanleiding bij het bepalen van de straf af te wijken van de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt in geval van een alcoholgehalte van 651 tot 715 microgram alcohol per uitgeademde liter lucht een geldboete van € 750,- in combinatie met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden genoemd.
Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een geldboete van € 750,-, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. S. Bek, in tegenwoordigheid van N. Hannaart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 september 2017.