ECLI:NL:GHAMS:2017:3703

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 september 2017
Publicatiedatum
14 september 2017
Zaaknummer
23-001120-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 378a Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bedreiging wegens ontbreken opzet bij verzenden dreigend spraakbericht

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en verdachte vrijgesproken van bedreiging. Verdachte had een dreigend spraakbericht via WhatsApp verzonden naar haar ex-vriend, waarin bedreigingen waren geuit richting het slachtoffer en diens vader.

Ter zitting verklaarde verdachte dat zij hoopte dat haar ex-vriend het slachtoffer bang zou maken, maar niet dat het bericht daadwerkelijk bij het slachtoffer of haar vader zou aankomen. Het hof oordeelde dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het bereiken van het slachtoffer met het bericht.

Het hof concludeerde dat het ontbreken van opzet betekent dat de tenlastelegging niet bewezen kon worden en sprak verdachte vrij. Het vonnis van de politierechter, dat slechts een aantekening betrof, werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.

De uitspraak benadrukt het belang van het bewijs van opzet bij bedreiging en dat het enkel verzenden van een dreigend bericht zonder opzet op ontvangst door het slachtoffer onvoldoende is voor een veroordeling.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van opzet bij bedreiging.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001120-17
datum uitspraak: 7 september 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13/253101-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2017.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij, in of omstreeks de periode van 20 januari 2015 tot en met 22 januari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk via [naam] voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"[...] als ik morgen de trein pak, trap ik haar dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"[...] dan help ik haar vader ook meteen de pijp uit", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De verdachte heeft, zo blijkt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, in de tenlastegelegde periode een spraakbericht verzonden naar de telefoon van haar ex-vriend [naam] .
In dit bericht heeft de verdachte zich in dreigende bewoordingen uitgelaten over de aangeefster [slachtoffer 2] en haar vader [slachtoffer 1] .
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij hoopte dat genoemde [naam] aangeefster bang zou maken bijvoorbeeld door zich opvallend in haar woonomgeving op te houden. Daarbij zou zij weten dat [naam] een hekel had aan [slachtoffer 1] . De verdachte heeft eveneens ter zitting van het hof verklaard dat [naam] en aangeefster in de betreffende periode geen contact met elkaar hadden. Zij had niet verwacht dat het bericht bij de aangeefster of haar vader terecht zou komen. Het was evenmin haar opzet dat [naam] het bericht zou doorsturen naar aangeefster.
Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden en nu daarvoor ook overigens concrete aanwijzingen ontbreken, onvoldoende aanknopingspunten bestaan om aan te nemen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat dit ingesproken whatsappbericht aangeefster en haar vader zou bereiken, noch dat de verdachte dit heeft beoogd. Het hof zal de verdachte daarom, in verband met het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet, van de tenlastegelegde bedreiging vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. R.M. Steinhaus en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van S.D. van der Heiden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2017.