ECLI:NL:GHAMS:2017:3782

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 september 2017
Publicatiedatum
20 september 2017
Zaaknummer
23-001019-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 422 SvArt. 359 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vuurwapenbezit leidt tot gevangenisstraf van drie maanden

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Amsterdam is de verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie. Het gerechtshof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd wat betreft de bewezenverklaring, maar vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging.

De politierechter had een gevangenisstraf van 60 dagen opgelegd, waarvan 57 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van drie maanden. Het hof heeft op basis van de ernst van het feit, de omstandigheden van het delict en de persoon van de verdachte een gevangenisstraf van drie maanden opgelegd.

Het bezit van vuurwapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en creëert gevoelens van onveiligheid. Het hof heeft daarbij de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) betrokken, waarin een gevangenisstraf van drie maanden wordt genoemd voor soortgelijke feiten.

Het hof zag geen reden om van deze richtlijn af te wijken en heeft de opgelegde straf passend en geboden geacht. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht op de straf. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 september 2017.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden voor het bezit van een vuurwapen met munitie.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001019-17
datum uitspraak: 20 september 2017
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer
13/701332-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere overwegingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, zulks met uitzondering van de strafoplegging; in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, is er mede gelet op artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering geen aanleiding de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in dit arrest op te nemen.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot 60 dagen gevangenisstraf waarvan 57 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie. Het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens creëert het risico van gebruik van die wapens en brengt gevoelens van onveiligheid met zich.
Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een gevangenisstraf van 3 maanden genoemd. Het hof ziet, anders dan de politierechter, in de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, geen aanleiding hiervan in het voordeel van de verdachte af te wijken.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. J.J.I. de Jong en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 september 2017.