Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2005 een geregistreerd partnerschap aangegaan dat in 2011 is ontbonden. Zij hebben een minderjarige gezamenlijke zoon. De rechtbank had in 2016 bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind en een partneralimentatie aan de vrouw moest betalen.
De man kwam in hoger beroep tegen de beschikking over partneralimentatie en verzocht onder meer om deze uitkering te beëindigen of te beperken. De vrouw verzocht om bekrachtiging van de beschikking. Tijdens de mondelinge behandeling werden aanvullende stukken overgelegd en beoordeeld.
Het hof stelde vast dat sprake was van een wijziging van omstandigheden en herbeoordeelde de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. De vrouw had een netto behoefte van circa €1.508 per maand, maar kon met haar inkomen grotendeels in haar eigen levensonderhoud voorzien. De vrouw ondernam serieuze pogingen om haar inkomen te verhogen maar slaagde daar nog niet in. De man had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de behoefte van de vrouw was verdwenen.
Het hof wees het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie af en stelde dat de vrouw teveel betaalde partneralimentatie in beginsel aan de man moet terugbetalen, maar hield de beslissing aan om partijen gelegenheid te geven nadere financiële gegevens te overleggen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot partneralimentatie af en houdt de beslissing aan voor nadere financiële gegevens.