In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 10 oktober 2017 een vervolguitspraak gedaan op een eerder tussenarrest van 28 maart 2017. Het hof heeft overwogen terug te komen op zijn bindende eindbeslissing uit 2012 en partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Varde Investments stemde hiermee in, terwijl geïntimeerden bezwaar maakten tegen het voornemen.
De discussie betrof onder meer de vraag of de restschuld was betaald via een renteloze lening en de rechtsgeldigheid van een aanbodovereenkomst. Het hof oordeelde dat de overeenkomst rechtsgeldig was en dat geïntimeerde 1 afstand had gedaan van zijn rechten. De stelling van geïntimeerden dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen de gebondenheid van geïntimeerde 1 werd onvoldoende onderbouwd.
Het hof veroordeelde geïntimeerde 1 tot betaling van de hoofdsom van € 11.368,74 plus wettelijke rente vanaf 28 maart 2008. De gevorderde buitengerechtelijke kosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het beperkte karakter van de incassowerkzaamheden. Geïntimeerden werden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. De veroordelingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.