In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter in eerste aanleg vernietigd en opnieuw recht gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van mishandeling van zijn echtgenote op 26 juni 2016 te IJmuiden.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote mishandelde door haar aan haar haren te trekken en tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en te schoppen. De mishandeling vond plaats in de eigen woning van de aangeefster, wat als strafverzwarende omstandigheid werd meegewogen. De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend, maar deze werd in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat zij de vordering had ingetrokken.
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, waarvan de uitvoering werd opgeschort met een proeftijd van twee jaar. Het hof hield rekening met de ernst van het feit en de gezinssituatie van verdachte, waarbij een onvoorwaardelijke straf mogelijk zou leiden tot het niet verkrijgen van een verblijfsvergunning. Het hof legde geen taakstraf of onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, mede gelet op artikel 3.77, eerste lid, onder c van het Vreemdelingenbesluit.