Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2011 een geregistreerd partnerschap aangegaan dat in 2016 is ontbonden. Uit de relatie is een kind geboren dat bij de vrouw verblijft. De man, muzikant en ondernemer, en de vrouw, archeoloog met WW-uitkering, zijn het oneens over de hoogte van de kinder- en partneralimentatie en de verdeling van het vermogen en schulden.
De man is in hoger beroep gekomen tegen eerdere beschikkingen over alimentatie en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid. Het hof heeft de behoefte van het kind en de vrouw vastgesteld, evenals de draagkracht van de man, rekening houdend met zijn inkomen, lasten en onderhoudsverplichtingen jegens een ander kind. De zorgkorting is toegepast op basis van de zorgregeling.
Het hof bepaalt dat de man vanaf 20 januari 2016 een bijdrage van €76 per maand betaalt voor de kosten van verzorging en opvoeding van het kind en vanaf 18 april 2016 een partneralimentatie van €135 per maand. Daarnaast is overeengekomen dat de waarde van de eenmanszaak en muziekinstrumenten op €7.000 wordt gesteld, waarvan de vrouw de helft ontvangt. De man is tevens veroordeeld tot betaling van de helft van de door de vrouw betaalde schuld aan de Belastingdienst wegens teveel ontvangen kinderopvangtoeslag in 2013.
Uitkomst: De man is veroordeeld tot betaling van €76 per maand kinderalimentatie vanaf 20 januari 2016, €135 per maand partneralimentatie vanaf 18 april 2016, en tot betaling van de helft van het vermogen en schulden aan de vrouw.