ECLI:NL:GHAMS:2017:590

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2017
Publicatiedatum
1 maart 2017
Zaaknummer
R 001388-16
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 SvArt. 136 SvArt. 310 SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding verblijf politiebureau bij gelijktijdige dag invrijheidstelling en inverzekeringstelling

De verzoeker vroeg het gerechtshof Amsterdam om een vergoeding van €105,00 voor een dag verblijf op het politiebureau, als gevolg van zijn inverzekeringstelling in een strafzaak. De verzoeker was op 4 maart 2014 aangehouden en diezelfde dag in verzekering gesteld. Hij verbleef uiteindelijk 33 minuten in verzekering en werd diezelfde dag vrijgelaten.

De advocaat van de verzoeker stelde dat vanwege het feit dat de verzoeker gedurende de dag zeven uren van zijn vrijheid was beroofd, een vergoeding billijk was. De advocaat verwees naar jurisprudentie waarin ook kortere perioden dan 24 uur in aanmerking kunnen komen voor vergoeding. De advocaat-generaal en het hof wezen dit af op grond van vaste jurisprudentie dat bij inverzekeringstelling van minder dan 24 uur geen vergoeding wordt toegekend, tenzij sprake is van een nachtelijke periode.

Het hof benadrukte dat artikel 89 Sv Pro een vergoeding op basis van billijkheid voorschrijft, maar dat dit niet geldt voor perioden korter dan 24 uur tenzij een nachtelijke periode is doorgebracht. Omdat in deze zaak de dag van invrijheidstelling en inverzekeringstelling samenvielen en geen nachtelijke uren waren doorgebracht, werd het verzoek afgewezen.

Het hof concludeerde dat voor verblijf op het politiebureau voorafgaand aan inverzekeringstelling geen vergoeding kan worden toegekend, ook niet voor nachtelijke uren. De vaste rechtspraak werd bevestigd en het verzoek werd afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding verblijf politiebureau afgewezen wegens gelijktijdige dag invrijheidstelling en inverzekeringstelling zonder nachtelijke uren.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rekestnummer: 001388-16 / (89 Sv)
Parketnummer in hoger beroep: 23-004278-15
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. [naam],
[adres].

1.Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, tot een bedrag van in totaal € 210,00 (2 dagen verblijf op het politiebureau ad € 105,00 per dag), ter zake van schade die de verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer.
De gemachtigde advocaat van de verzoeker heeft in raadkamer van 20 januari 2017 voornoemde verzochte vergoeding aangepast in die zin, dat thans voor 1 dag verblijf op het politiebureau vergoeding wordt verzocht, te weten € 105,00.

2.Procesverloop

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en van het onderhavige verzoekschrift en heeft op 20 januari 2017 de advocaat-generaal en de gemachtigde advocaat van de verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De verzoeker is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet in persoon in raadkamer verschenen.
De gemachtigde advocaat heeft onder verwijzing naar jurisprudentie van het hof Leeuwarden/Arnhem verzocht tot toekenning van een vergoeding voor een dag. In dat verband is er mede op gewezen dat de verzoeker vóór de inverzekeringstelling op 4 maart 2014 te 19:17 uur op diezelfde dag al om 12:51 uur door de politie was aangehouden. Nu de verzoeker in feite gedurende de dag 7 uren van zijn vrijheid is beroofd, is toekenning van de verzochte schadevergoeding billijk.
De advocaat-generaal heeft onder verwijzing naar het schriftelijke standpunt van 23 augustus 2016 geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, nu volgens vaste jurisprudentie van het hof Amsterdam in het geval dat de dag van invrijheidstelling samenvalt met de dag van inverzekeringstelling er geen ruimte is voor toekenning van een vergoeding op de voet van artikel 89 Sv Pro.

3.Beoordeling van het verzoek

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het op
6 juni 2016 op tegenspraak gewezen arrest in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden.
In het onderhavige geval is de verzoeker op 4 maart 2014 te 19:17 uur in verzekering gesteld op verdenking van - kort gezegd - overtreding van artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 3 jo 11 van de Opiumwet. De verzoeker is op 4 maart 2014 te 19:50 uur in vrijheid gesteld. De verzoeker heeft derhalve 33 minuten in verzekering doorgebracht.
Het hof overweegt dat in artikel 136, eerste lid, Sv is bepaald dat onder een dag wordt verstaan een tijd van vierentwintig uren. Om die reden is het vaste rechtspraak van dit hof om bij een in verzekering stelling van minder dan 24 uur geen vergoeding op grond van artikel 89 Sv Pro toe te kennen, met één uitzondering hierop die hierna aan de orde komt.
In meerdere, gepubliceerde, beschikkingen van het hof is deze vaste rechtspraak van dit hof herhaald.
Door de advocaat van de verzoeker is gewezen op andere uitspraken waarin voor wat betreft de vraag of ook een kortere periode dan vierentwintig uren van in verzekering stelling bij de toepassing van artikel 89 Sv Pro voor vergoeding naar de maatstaf van één dag in aanmerking komt, aansluiting is gezocht bij het bepaalde in artikel 27, tweede lid, Sr.
Het hof overweegt dat artikel 89 Sv Pro een geheel andere achtergrond heeft dan artikel 27 (tweede lid) Sr. In artikel 89 Sv Pro is uitdrukkelijk bepaald dat de grondslag voor toekenning van schadevergoeding bepaald wordt door de billijkheid. Deze grondslag geldt niet voor de aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27, tweede lid, Sr. Het toepassen van het tweede lid van artikel 27 Sr Pro op een procedure strekkende tot schadevergoeding ingevolge artikel 89 Sv Pro ligt dan ook niet in de rede.
De thans bestaande afspraak van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) spreekt van een standaardvergoeding per dag. Nauwkeurige lezing van de daarbij gegeven toelichting leidt niet tot de conclusie dat die afspraak mede omvat dat de eerste dag van de in verzekering stelling, ook als deze in verzekering stelling geen 24 uur heeft geduurd, voor vergoeding naar de maatstaf van één dag in aanmerking komt. Strikt genomen geeft artikel 89 Sv Pro, gelezen in samenhang met artikel 136, eerste lid, Sv, in het geheel geen grond voor de toekenning van een vergoeding indien minder dan 24 uur in verzekering is doorgebracht. Uit billijkheidsoverwegingen echter heeft het hof, in het geval dat een verzoeker minder dan 24 uur, maar wel een nacht in verzekering heeft doorgebracht, desalniettemin het standaardbedrag van
€ 105,00 daarvoor toegekend. Het hof ziet in hetgeen door de advocaat is aangevoerd geen reden van deze vaste rechtspraak af te wijken.
Voor een vergoeding van een gedwongen verblijf op het politiebureau voorafgaand aan in verzekering stelling biedt de wet geen grond, ook niet wanneer het de nachtelijke uren betreft. Die uren kunnen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. Mitsdien wordt, nu in het onderhavige geval de dag van invrijheidstelling samenvalt met de dag van inverzekeringstelling en er geen sprake is van een in de nachtelijke uren doorgebrachte periode van in verzekeringstelling de verzochte vergoeding afgewezen.

4.Beslissing

Het hof:
Wijst het verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. M.L. Leenaers, M.J.A. Duker en C.M. Degenaar, in tegenwoordigheid van mr. D. Zeiss als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 17 februari 2017.