ECLI:NL:GHAMS:2017:862
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.R. Sturhoofd
- M.F.G.H. Beckers
- W.K. van Duren
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid zoon in hoger beroep tegen bewind en mentorschap na overlijden moeder
Appellant, de zoon van de rechthebbende, kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam waarbij het bewind over de goederen van zijn moeder en een mentorschap voor haar werden ingesteld.
Na het overlijden van de rechthebbende op 24 oktober 2016 stelde het hof vast dat het bewind en het mentorschap van rechtswege waren geëindigd. Appellant voerde aan dat hij nog wel belang had bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de instelling van bewind en mentorschap, mede vanwege vermeende onrechtmatige opname en behandeling van zijn moeder.
Het hof oordeelde dat appellant geen voldoende concreet belang meer had bij de beoordeling van zijn hoger beroep, omdat het bewind en mentorschap waren geëindigd en de beslissing niet heeft geleid tot de opname of behandeling van de moeder. Ook het gestelde financiële en emotionele belang was onvoldoende onderbouwd. Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van een concreet belang na het overlijden van de rechthebbende.