ECLI:NL:GHAMS:2017:925

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 maart 2017
Publicatiedatum
20 maart 2017
Zaaknummer
23-003549-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep winkeldiefstal met voorwaardelijke geldboete

Op 7 juli 2016 heeft de verdachte te Schiphol een flesje Aloë Vera en deodorant van het merk Axe weggenomen uit een Albert Heijn-winkel met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De politierechter veroordeelde hem in eerste aanleg tot een gevangenisstraf van een week. De verdachte stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.

Het gerechtshof Amsterdam vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde de diefstal wettig en overtuigend bewezen. Het hof achtte de verdachte strafbaar en oordeelde dat het bewezen feit diefstal oplevert. Het hof nam mee dat de verdachte op authentieke wijze blijk gaf van inzicht in het kwalijke van zijn handelen en verantwoordelijkheid daarvoor nam.

Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte, legde het hof een geheel voorwaardelijke geldboete van €200 op. Dit is in lijn met de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Het hof vond het niet raadzaam om geen straf op te leggen, omdat dat te zeer voorbij zou gaan aan de ernst van het bewezen feit.

De geldboete wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij de verdachte zich binnen de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Hiermee houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden en het toekomstperspectief van de verdachte, terwijl het ook het belang van de rechtsorde en het winkelbedrijf beschermt.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €200 wegens winkeldiefstal.

Uitspraak

parketnummer: 23-003549-16
datum uitspraak: 14 maart 2017
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 15 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-140774-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2017.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 juli 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een flesje drinken (Aloë Vera) en/of deodorant (merk Axe), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (vestiging [vestiging]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 juli 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een flesje drinken, Aloë Vera, en deodorant, merk Axe, toebehorende aan Albert Heijn, vestiging [vestiging].
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van een week.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 200,00.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om over te gaan tot schuldigverklaring van de verdachte zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete te matigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. De verdachte heeft er aldus blijk van gegeven het eigendomsrecht van het betreffende winkelbedrijf niet te respecteren. Dit is niet alleen een misdrijf dat overlast oplevert voor het winkelbedrijf zelf, maar ook overigens bijdraagt aan het ontstaan van schade en overlast, doordat winkelbedrijven het verlies van goederen als gevolg van diefstal veelal zullen doorberekenen in de verkoopprijs, terwijl ook aanzienlijke kosten zijn gemoeid met het treffen van maatregelen ter voorkoming van winkeldiefstallen.
Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor
first offenders, zoals de verdachte, een geldboete van € 200,00 genoemd.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof er rekening mee dat de verdachte er op de terechtzitting in hoger beroep op authentiek overkomende wijze blijk van heeft gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien en hier de verantwoordelijkheid voor te nemen. Verder lijkt hij zijn leven goed op orde te hebben. Hierin wordt aanleiding gezien de geldboete in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Het hof acht het, anders dan de raadsvrouw, niet raadzaam aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen; dit zou in dit geval te zeer voorbij gaan aan de ernst van het bewezen feit.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
4 (vier) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 maart 2017.
[.............]
.