Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
Levensonderhoud
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen waren gehuwd in 1979 en zijn in 2010 gescheiden. In het echtscheidingsconvenant is een niet-wijzigingsbeding opgenomen dat partneralimentatie van €1.000 netto per maand voor twaalf jaar vastlegt, met jaarlijkse indexering. De man verzocht de rechtbank om de alimentatie op nihil te stellen vanwege het faillissement van zijn onderneming en het wegvallen van zijn inkomsten.
De rechtbank stelde de alimentatie op nihil, maar het hof vernietigt deze beschikking. Het hof oordeelt dat het strenge wijzigingsregime van artikel 1:159 lid 3 BW Pro van toepassing is omdat partijen expliciet een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen. De man heeft niet voldoende aangetoond dat sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden die doorbreking rechtvaardigt.
Het faillissement van de onderneming wordt gezien als een risico dat de man zelf heeft gedragen, mede gezien zijn eerdere kennis van de financiële situatie. Het hof wijst het verzoek van de man af en bepaalt dat hij de partneralimentatie van €1.047,81 netto per maand met wettelijke indexering moet voortzetten vanaf 1 februari 2015. De man blijft ook verantwoordelijk voor eventuele inkomstenbelasting van de vrouw over deze alimentatie.
Uitkomst: Het hof bepaalt dat de man de partneralimentatie van €1.047,81 netto per maand met wettelijke indexering moet voortzetten vanaf 1 februari 2015.