ECLI:NL:GHAMS:2018:1137

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 maart 2018
Publicatiedatum
5 april 2018
Zaaknummer
23-003191-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 73 Wet Personenvervoer 2000Art. 378a Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verzet tegen ambtenaren bij aanwijzing reizigersgebied te verlaten

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij zich op of omstreeks 28 februari 2017 te Amsterdam met geweld en/of bedreiging tegen ambtenaren heeft verzet bij het geven van een aanwijzing om het reizigersgebied van het Centraal Station te verlaten.

De politierechter had een vonnis gewezen waarbij slechts aantekening was gedaan, waarop de verdachte hoger beroep instelde. Het hof heeft het dossier en de verklaringen van partijen bestudeerd, waaronder de verklaring van de verdachte dat hij door een NS-medewerker werd tegengehouden toen hij gehoor wilde geven aan de aanwijzing.

Het hof constateerde dat de processen-verbaal van de ambtenaren en de verdachte niet geheel overeenstemmen en dat de verdachte niet de gelegenheid had om vrijwillig aan de aanwijzing te voldoen. De poging van de verdachte om te gehoorzamen kan niet worden aangemerkt als verzet. Daarom is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en sprak het hof hem vrij.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van het ten laste gelegde verzet tegen ambtenaren.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003191-17
datum uitspraak: 23 maart 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer
13-088799-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 maart 2018.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 28 februari 2017 te Amsterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [naam 1] en/of [naam 2], beide buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten het geven van een aanwijzing het reizigersgebied van het Centraal Station te verlaten op grond van artikel 73 Wet Pro Personenvervoer 2000, door geweldshandelingen, te weten het in tegengestelde richting bewegen dan waar verbalisant [naam 1] hem wilde brengen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast komt het hof, anders dan de politierechter, tot vrijspraak van het ten laste gelegde.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het dossier voldoende bewijsmiddelen bevat dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en heeft gevorderd dat de verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300 subsidiair 6 dagen hechtenis, te betalen in zes termijnen van elk € 50 per maand, met vernietiging van het vonnis.

Verweer verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de bewijsmiddelen onoverzichtelijk zijn, nu de inhoud van de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [naam 1] en [naam 2] alsmede van het proces-verbaal van verdenking van de verdachte niet met elkaar in overeenstemming is. Volgens de raadsvrouw staat daarom niet vast of er aan de verdachte een aanwijzing als bedoeld in artikel 73 Wet Pro Personenvervoer 2000 (WPV 2000) is gegeven en als dat al is gebeurd, dan heeft de verdachte niet de gelegenheid gehad om aan die vordering te voldoen, omdat hij door een NS-medewerker daarbij werd tegengehouden. De raadsvrouw heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Vrijspraak

Het hof deelt het standpunt van de raadsvrouw en is van oordeel dat de inhoud van voornoemde processen-verbaal op bepaalde punten niet met elkaar in overeenstemming is. Gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hem door een NS-medewerker werd verzocht om het reizigersgedeelte te verlaten, gaat het hof ervan uit dat aan de verdachte een aanwijzing als bedoeld in artikel 73 WPV Pro 2000 is gegeven. Het hof gaat echter tevens uit van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat toen hij aan die aanwijzing gehoor wilde geven, hij werd vastgepakt door een andere NS-medewerker die hem tegenhield en hij daardoor het gebied niet kon verlaten. Daarbij zou de verdachte ook volgens eigen zeggen in eerste instantie zich hebben bewogen in een andere richting dan door die laatste verbalisant werd bedoeld, maar dat was omdat hij probeerde gehoor te geven aan de eerdere aanwijzing. Beide verklaringen van de verdachte vinden voldoende steun in het dossier. Mede gelet op het feit dat een en ander zich in een zeer korte tijd heeft afgespeeld, betekent dit dat de verdachte enerzijds niet in de gelegenheid is gesteld om vrijwillig aan de aanwijzing gehoor te geven, en anderzijds dat zijn poging om dat wel te doen niet kan worden aangemerkt als verzet tegen een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zodat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. J.L. Bruinsma en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. A.F. van der Heide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 maart 2018.
mr. J.L. Bruinsma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.