ECLI:NL:GHAMS:2018:1203

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 maart 2018
Publicatiedatum
12 april 2018
Zaaknummer
23-001252-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 123b Wegenverkeerswet 1994Art. 422 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken kennis ongeldig verklaard rijbewijs op A10

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 9 december 2015 op de Rijksweg A10 een motorrijtuig bestuurde terwijl zijn rijbewijs op grond van artikel 123b, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van rechtswege zijn geldigheid had verloren.

Het openbaar ministerie vorderde bewezenverklaring en tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij omdat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat de verdachte op het moment van het ten laste gelegde bekend was met de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.

Het hof overwoog dat de brief van het parket CVOM aan de verdachte niet was ontvangen en dat er geen andere omstandigheden waren waaruit kennis van de ongeldigverklaring kon worden afgeleid. Ook het feit dat het rijbewijs niet in bezit was, was onvoldoende bewijs voor kennis.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de ontzegging werd afgewezen. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 maart 2018.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001252-16
datum uitspraak: 30 maart 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2016 in de strafzaak onder de parketnummers 96-259730-15 en 96-202595-14 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2016 en 16 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 december 2015 te Amsterdam, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid overeenkomstig artikel 123b, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 had verloren en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A10, als bestuurder een motorrijtuig (bedrijfsauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof op andere gronden tot een vrijspraak komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste, nu de verdachte op 9 december 2015 op de hoogte was van het feit dat zijn rijbewijs als gevolg van een onherroepelijk geworden veroordeling ter zake van een alcoholgerelateerd verkeersmisdrijf van rechtswege zijn geldigheid had verloren. In verband met deze ongeldigheid van rechtswege is het rijbewijs op 12 maart 2015 door het parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) naar de Dienst Wegverkeer (RDW) verstuurd. De RDW heeft bevestigd dat het rijbewijs op 16 maart 2015 door hen is ontvangen en dat het rijbewijs in dergelijke gevallen (te weten: gevallen waarin het rijbewijs van rechtswege zijn geldigheid heeft verloren) wordt vernietigd. De verdachte was derhalve ten tijde van het ten laste gelegde niet in het bezit van zijn rijbewijs. De brief van het CVOM van 16 maart 2015 aan de verdachte – inhoudende dat tot teruggave van het rijbewijs aan de verdachte was beslist en het rijbewijs bij de brief was gevoegd – kan de verdachte niet hebben bereikt, omdat het slechts een ‘automatisch’ door het systeem gegenereerde brief betreft, die niet aan de verdachte is verzonden. Er moet dus ook voorbij worden gegaan aan de bewering van de verdachte dat hij door de betreffende brief en/of de teruggave van zijn rijbewijs in verwarring is gebracht.
De raadsman heeft, kort gezegd, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde bekend was met de ongeldigheid van zijn rijbewijs van rechtswege.
Het hof overweegt als volgt.
Het rijbewijs van de verdachte heeft op 10 december 2014 van rechtswege zijn geldigheid verloren op grond van artikel 123b van de Wegenverkeersweg 1994. De verdachte stelt hiervan echter op 9 december 2015 niet op de hoogte te zijn geweest en, meer in het bijzonder, dat hij de brief van 18 december 2014 van het parket CVOM hieromtrent, niet heeft ontvangen. Dat dit laatste anders is, blijkt niet uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting; op 30 maart 2015 is vruchteloos geprobeerd de mededeling van 18 december 2014 uit te reiken op het adres van de verdachte en het poststuk is op 8 april 2015 niet-uitgereikt retour gezonden aan de afzender.
Ook overigens is niet gebleken van een omstandigheid op grond waarvan de verdachte wist of redelijkerwijze moest weten dat zijn rijbewijs de geldigheid op grond van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994 had verloren. De enkele, door de advocaat-generaal gestelde, omstandigheid dat de verdachte zijn rijbewijs niet had teruggekregen en dat ook ten tijde van het tenlastegelegde nog niet in zijn bezit had, maakt dit niet anders.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 november 2014 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 21 maart 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 november 2014, parketnummer 96-202595-14, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. S. Clement en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. A.S.E. Evelo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 maart 2018.
[…]