ECLI:NL:GHAMS:2018:1389

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2018
Publicatiedatum
24 april 2018
Zaaknummer
200.215.339/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:19a BWArt. 2:23 BWArt. 245 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid hoger beroep na ontbinding vennootschappen

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of de appellanten Apropos B.V. en Hesco Holding B.V., die ontbonden waren en uitgeschreven uit het handelsregister, ten tijde van het instellen van het hoger beroep nog bestonden en dus ontvankelijk waren. Voermans c.s. voerden aan dat de vennootschappen niet ontvankelijk moesten worden verklaard omdat zij niet meer bestonden, onderbouwd met uittreksels uit het handelsregister en correspondentie van de Kamer van Koophandel.

Het hof oordeelde dat de wettelijke regeling voorziet in een vereffeningsfase na ontbinding, waarbij het bestuur als vereffenaar optreedt. De vennootschap houdt pas op te bestaan als er geen bekende baten meer zijn. Uit de stukken bleek niet overtuigend dat er ten tijde van het hoger beroep geen baten meer aanwezig waren. De brief van de Kamer van Koophandel vermeldde wel dat de vennootschappen waren opgehouden te bestaan, maar dit was niet onderbouwd met concrete gegevens of onderzoek.

Daarom concludeerde het hof dat de vennootschappen niet waren opgehouden te bestaan toen het hoger beroep werd ingesteld en dat zij dus ontvankelijk waren. De incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring werd afgewezen. De zaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling van de hoofdzaak.

Het arrest werd uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam op 24 april 2018 door de genoemde raadsheren.

Uitkomst: De incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van de appellanten wordt afgewezen en zij worden ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.215.339/01
zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam C/13/371837/HA ZA 07-1605 en C/13/362026/HA ZA 07-361
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 april 2018
inzake

1.APROPOS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
2.
HESCO HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellanten,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,
tegen
1.
mr. S.A. VOERMANS q.q.in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Apropos International B.V.,
kantoorhoudend te Amsterdam,
2.
TREND FIN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3.
WE INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerden,
eisers in het incident,
advocaat: mr. T.P. Hoekstra te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna gezamenlijk Apropos c.s. en Voermans c.s. genoemd, partijen zullen afzonderlijk worden aangeduid als Apropos, Hesco Holding, mr. Voermans, Trend Fin en WE International.
Apropos c.s. zijn bij dagvaarding van 31 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2016, onder bovenvermelde zaak-/rolnummers gewezen tussen Voermans en Trend Fin als eisers en Apropos c.s als gedaagden respectievelijk Apropos c.s. als eiseressen in conventie, gedaagden in reconventie en Voermans c.s. als gedaagden in conventie, eisers in reconventie, alsmede de daaraan voorafgaand gewezen tussenvonnissen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- incidentele memorie tot niet-ontvankelijkheid, met producties;
- memorie van antwoord in het incident, met producties;
- akte uitlating producties in het incident, met productie.
Partijen hebben de zaak in het incident doen bepleiten, Apropos c.s. door mr. Loonstein voornoemd en Voermans c.s. door mr. Hoekstra voornoemd, ieder aan de hand van overgelegde pleitnotities.
Vervolgens hebben partijen arrest in het incident gevraagd.
Voermans c.s. hebben in het incident geconcludeerd dat het hof Apropos c.s. in hun hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, met beslissing over de proceskosten onder toepassing van het bepaalde in artikel 245 Rv Pro, te vermeerderen met nakosten en rente.
Apropos c.s. hebben geconcludeerd dat het hof Voermans c.s. in het door hen opgeworpen incident niet-ontvankelijk zal verklaren althans dit ongegrond zal verklaren, met beslissing over de proceskosten.

2.Beoordeling

2.1.
Voermans c.s. stellen zich in het incident op het standpunt dat Apropos en Hesco Holding ten tijde van het instellen van het hoger beroep niet meer bestonden en mitsdien daarin niet ontvankelijk zijn.
Zij beroepen zich in dit verband op door hen bij incidentele memorie in het geding gebrachte uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel waarin is vermeld dat beide vennootschappen op 17 juni 2013 door de Kamer van Koophandel zijn ontbonden en per die datum zijn uitgeschreven uit het handelsregister. Voorts hebben zij bij akte ter staving van hun standpunt twee brieven van de Kamer van Koophandel aan mr. Voermans (van 22 augustus en 23 augustus 2017) overgelegd waarin, kort gezegd, de gronden van de ontbinding en de uitschrijving zijn uiteengezet. Zij wijzen er voorts op dat geen heropening van de vereffening is verzocht met benoeming van een vereffenaar op de voet van artikel 2:23c BW, noch sprake is van de opgaaf van het optreden van een vereffenaar als voorgeschreven in artikel 2:23 lid 4 BW Pro.
2.2.
Het hof verwerpt het standpunt van Apropos c.s. dat het door Voermans c.s. opgeworpen niet-ontvankelijkheidsverweer niet bij wege van incident aan de orde kan worden gesteld. Anders dan Apropos c.s. kennelijk menen, is de wettelijke regeling van incidenten niet uitputtend en valt vanuit een oogpunt van proceseconomie te billijken dat over een vraag als de onderhavige een beslissing wordt genomen alvorens door het indienen van een memorie van antwoord en verdere proceshandelingen in de hoofdzaak wordt voortgeprocedeerd.
2.3.
Met betrekking tot de vraag of Apropos en Hesco Holding ten tijde van het aanhangig maken van het hoger beroep waren opgehouden te bestaan geldt het volgende.
Uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat na de ontbinding de vereffeningsfase intreedt en dat diegenen die ten tijde van de ontbinding het bestuur van de vennootschap vormden als vereffenaar optreden. Ten tijde van de ontbinding van genoemde vennootschappen stond als (enig) bestuurder van Hesco Holding ingeschreven [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en van Apropos Hesco Holding en waren deze derhalve ingevolge de wettelijke hoofdregel vereffenaar.
Een vennootschap houdt na de ontbinding op te bestaan als geen bekende baten meer aanwezig zijn. Dat zich met betrekking tot voornoemde vennootschappen die situatie heeft voorgedaan, valt niet op te maken uit de in het geding gebrachte uittreksels uit het handelsregister noch uit de brief van 22 augustus 2017 waarin de Kamer van Koophandel op verzoek van mr. Voermans de gronden van de ontbinding van de vennootschappen heeft uiteengezet. Weliswaar heeft de Kamer van Koophandel in de aan mr. Voermans gerichte brief van 23 augustus 2017 uiteengezet dat “geregistreerd (is) dat de ontbonden rechtspersonen zijn opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 17 juni 2013”, maar dit blijkt, zoals gezegd, niet uit (de in het geding gebrachte uittreksels uit) het handelsregister noch is duidelijk hoe de Kamer van Koophandel tot de gevolgtrekking is gekomen dat zich met ingang van 17 juni 2013 een zodanige situatie voordeed. Dat de Kamer van Koophandel indertijd op grond van artikel 2:19a lid 7 BW als vereffenaar is opgetreden en/of naar de aanwezigheid van baten enig onderzoek heeft gedaan en daartoe contact heeft gezocht met [persoon 1] wordt door Apropos c.s. betwist en is door Voermans c.s. niet voldoende toegelicht.
In het licht hiervan en het in deze procedure door Apropos c.s. ingenomen standpunt dat ten tijde van de ontbinding van de vennootschappen in ieder geval sprake was van potentiële baten, moet de slotsom luiden dat de vennootschappen niet waren opgehouden te bestaan toen de onderhavige appelprocedure aanhangig werd gemaakt. Zij zijn mitsdien in het hoger beroep ontvankelijk.
2.4.
Gelet op het voorgaande zal de incidentele vordering worden afgewezen. De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

3.Beslissing

Het hof:
wijst de incidentele vordering af;
verwijst de zaak naar de rol van 5 juni 2018 voor voortprocederen in de hoofdzaak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.A.H. Melissen, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en A.P. Schoonbrood-Wessels door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.