Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
verzoekster in principaal hoger beroep,
Gerechtshof Amsterdam
De vrouw en de man hadden een korte relatie waaruit in 2011 een minderjarige is geboren. De rechtbank had eerder de erkenning van de man vernietigd en verzoeken omtrent erkenning, gezag en omgang aangehouden.
In hoger beroep verzochten partijen om vervangende toestemming tot erkenning en een omgangsregeling. De vrouw voerde onder meer aan dat er sprake was van huiselijk geweld, mishandeling en verkrachting, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. Het hof oordeelde dat het belang van de man en het kind bij erkenning prevaleert, ondanks de beperkte draagkracht van de vrouw.
De omgangsregeling werd aangepast: de bestaande omgang op maandagmiddag werd gehandhaafd en uitgebreid met een zondagmiddag contact, waarbij rekening werd gehouden met de draagkracht van de vrouw en het netwerk van het kind. De informatieregeling werd bekrachtigd met toevoeging van jaarlijkse tijdstippen voor informatieverstrekking.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het hoger beroep reeds in een definitieve beslissing voorzag. Het hof achtte het belang van het kind en de man bij een stabiele familierechtelijke betrekking zwaarder dan de bezwaren van de vrouw, waarbij het contact tussen partijen zoveel mogelijk werd beperkt.
Uitkomst: Het hof verleent vervangende toestemming tot erkenning, bekrachtigt de informatieregeling en wijzigt de omgangsregeling tot tweewekelijkse maandagmiddag en zondagmiddag contact.