ECLI:NL:GHAMS:2018:1781

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2018
Publicatiedatum
7 juni 2018
Zaaknummer
200.171.199/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 7:272 lid 1 BWArt. 7:274 lid 1 aanhef en onder c BWArt. 3:316 lid 1 BWArt. 3:316 lid 2 BW
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging leaseovereenkomst en terugbetaling wegens tijdige stuiting verjaring

In deze zaak stond de vraag centraal of de verjaringstermijn voor de vernietiging van een leaseovereenkomst was gestuit door een collectieve procedure tussen Stichting Eegalease en Dexia. De appellant stelde dat de dagvaarding in die procedure de verjaring had gestuit, terwijl Dexia dit betwistte.

Het hof bouwde voort op een eerder tussenarrest en de recente jurisprudentie van de Hoge Raad van 9 oktober 2015. De Hoge Raad had bepaald dat een collectieve vordering de verjaring van individuele vernietigingsvorderingen stuit en dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring tijdig kan zijn indien deze binnen zes maanden na beëindiging van de collectieve procedure wordt uitgebracht.

Het hof concludeerde dat de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure de verjaring van de vernietigingsvordering had gestuit en dat de vernietiging van de leaseovereenkomst rechtsgeldig was. Dexia werd veroordeeld tot terugbetaling van alle betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 juli 2006, en tot betaling van de proceskosten. De vorderingen werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof vernietigt de leaseovereenkomst en veroordeelt Dexia tot terugbetaling met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.171.199/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 3084114 DX VERZ 14-237
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 mei 2018
inzake
[appellant],
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,
tegen:
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1.Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna opnieuw [appellant] en Dexia genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 11 april 2017 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.
Ter uitvoering van het tussenarrest hebben beide partijen een akte genomen, Dexia met producties.
Ten slotte is weer arrest gevraagd.

2.Verdere beoordeling

2.1
Het hof blijft bij en bouwt hierna voort op hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist.
2.2
[appellant] heeft in deze procedure gesteld dat de kantonrechter heeft miskend dat de lopende verjaringstermijn tot vernietiging van de leaseovereenkomst is gestuit door de dagvaarding van 13 maart 2003 in de procedure die de Stichting Eegalease en de Consumentenbond tegen Dexia aanhangig hebben gemaakt (hierna ook wel: de collectieve procedure). Bij memorie van antwoord heeft Dexia tegen de stuitende werking van de dagvaarding in de collectieve procedure een aantal bezwaren aangevoerd. Beide memories zijn genomen voordat de Hoge Raad bij arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) een prejudiciële vraag over de stuitende werking van voornoemde dagvaarding heeft beantwoord.
2.3
In het tussenarrest zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015. Met inachtneming van hetgeen partijen in dat verband naar voren hebben gebracht overweegt het hof als volgt.
2.4
De Hoge Raad besliste in zijn arrest van 9 oktober 2015 (onder meer) dat de stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW Pro van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van op die collectieve actie aansluitende individuele vorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW Pro. Een dergelijke buitengerechtelijke vernietigingsverklaring heeft bovendien te gelden als een nieuwe eis in de zin van art. 3:316 lid 2 BW Pro. Ten slotte besliste de Hoge Raad dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW Pro bedoelde termijn van zes maanden nadat het geding is beëindigd is verstreken, tijdig is uitgebracht.
Het geding moet worden geacht te zijn geëindigd als bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW Pro met de beslissing van 25 januari 2007 op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, zodat uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten diende te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht (HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).
2.5
Nu de collectieve procedure tussen de Stichting Eegalease en anderen tegen Dexia is geëindigd op 25 januari 2007 moet worden geconcludeerd dat de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst van 20 december 2000 is gestuit door de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure, terwijl met de brief van 16 juni 2006 tijdig de nietigheid is ingeroepen.
2.6
De beslissing van de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 biedt geen ruimte voor de redenering van Dexia dat de Stichting Eegalease in de overeenkomst van 23 juni 2005 afstand heeft gedaan van de mogelijkheid tot stuiting van de verjaringen en de daaraan verbonden conclusie dat de dagvaarding van 13 maart 2003 de verjaring niet stuit.
2.7
Het hof gaat voorbij aan de stelling van Dexia dat de stuitende werking van de collectieve vordering niet van toepassing is op onderhavige leaseovereenkomst. Dexia ziet over het hoofd dat de leaseovereenkomst is gesloten op 20 december 2000 en daarmee valt onder de door Stichting Eegalease ingestelde vordering (B).
2.8
Uit het vorenstaande volgt dat grief 4 van [appellant] slaagt. De overige stellingen en weren behoeven gelet hierop geen behandeling. Nu vast staat dat de vernietigingsvordering niet is verjaard, zal de gevorderde verklaring voor recht worden gegeven. Dexia zal worden veroordeeld tot (terug)betaling aan [appellant] van al hetgeen in het kader van de leaseovereenkomst per saldo aan haar is betaald. Dexia is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment van verzuim, zijnde in dit geval, zoals ook Dexia stelt (akte uitlaten procedure ex artikel 96 Rv Pro), vanaf twee weken na ontvangst van de vernietigingsbrief, dus twee weken na 23 juni 2006. Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties met nakosten.

3.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de leaseovereenkomst AEX Plus Effect Maandbetaling met contractnummer [nummer] rechtsgeldig op grond van art. 1:88 en Pro 1:89 BW is vernietigd;
veroordeelt Dexia tot (terug)betaling van al hetgeen krachtens de leaseovereenkomst aan Dexia is betaald, te verminderen met hetgeen op grond van de leaseovereenkomst van Dexia is ontvangen en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] begroot op € 77,- aan verschotten en € 300,- voor salaris en in hoger beroep op € 405,19 aan verschotten en € 1.341,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en M.P. van Achterberg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018.