ECLI:NL:GHAMS:2018:1810
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging leaseovereenkomst wegens ontbreken schriftelijke toestemming en stuiting verjaring
In deze civiele zaak staat de geldigheid van een leaseovereenkomst centraal die op 6 februari 2002 tussen appellant en Dexia Nederland B.V. is gesloten. De echtgenote van appellant had geen schriftelijke toestemming gegeven voor deze overeenkomst, waardoor zij op grond van artikel 1:89 BW Pro het recht had deze te vernietigen. Dexia stelde zich op het standpunt dat de vordering tot vernietiging was verjaard.
De rechtbank had de vorderingen afgewezen omdat zij oordeelde dat de echtgenote eerder dan drie jaar voor de vernietigingsbrief op de hoogte was van de overeenkomst. Het hof nam de feiten over en stelde vast dat de verjaringstermijn door de dagvaarding van 13 maart 2003 in een collectieve procedure was gestuit. Dit volgde uit een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en verklaarde de leaseovereenkomst rechtsgeldig vernietigd. Dexia werd veroordeeld tot terugbetaling van de door appellant betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, en tot betaling van de proceskosten. De overige grieven van appellant behoefden geen behandeling meer.
Uitkomst: De leaseovereenkomst is vernietigd en Dexia is veroordeeld tot terugbetaling met rente en proceskosten.