ECLI:NL:GHAMS:2018:2008

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 mei 2018
Publicatiedatum
18 juni 2018
Zaaknummer
23-005162-15 (rekestnummer R000477-18)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77dd Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof wijzigt tenuitvoerlegging voorwaardelijke jeugddetentie en omzetting naar werkstraf

De zaak betreft een vordering van de advocaat-generaal tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke jeugddetentie die was opgelegd bij arrest van 10 mei 2016. De veroordeelde was veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie en een jeugddetentie van 182 dagen, waarvan een deel niet ten uitvoer zou worden gelegd tenzij de veroordeelde zich schuldig zou maken aan een nieuw strafbaar feit of de bijzondere voorwaarden niet zou naleven.

Na eerdere afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in maart 2017, waarbij de meldplicht werd gewijzigd van DJGB naar Reclassering Nederland, bleek uit een brief van de reclassering dat de veroordeelde herhaaldelijk afspraken niet was nagekomen. De advocaat-generaal vorderde daarom opnieuw tenuitvoerlegging.

Tijdens de zitting van 31 mei 2018 betuigde de veroordeelde spijt en gaf hij aan dat hij destijds last had van sterke sombere gevoelens, maar inmiddels gemotiveerd is en fulltime werkt. Het hof erkent de moeilijkheden maar oordeelt dat de veroordeelde meer had kunnen doen om contact te onderhouden en hulp in te schakelen. Het hof wijst de vordering gedeeltelijk toe, vervangt 30 dagen jeugddetentie door 60 uren werkstraf subsidiair 30 dagen jeugddetentie, en wijst de rest af, rekening houdend met de positieve ontwikkelingen en het risico dat detentie deze zou ondermijnen.

Uitkomst: Het hof wijst gedeeltelijk de vordering tot tenuitvoerlegging toe en zet 30 dagen jeugddetentie om in 60 uren werkstraf subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

Uitspraak

beslissing
GERECHTSHOF AMSTERDAM
rekestnummer: R000477-18
parketnummer: 23-005162-15
BESLISSING NA VOORWAARDELIJKE VEROORDELING
Naar aanleiding van de ter griffie van dit gerechtshof ingekomen vordering van de advocaat-generaal bij dit hof d.d. 5 april 2018 betreffende het op 24 mei 2016 onherroepelijk geworden arrest van dit gerechtshof van 10 mei 2016 in de strafzaak onder bovenvermeld parketnummer tegen:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] [geboortedag] 1997,
adres: [adres],
bij welk arrest voornoemde [veroordeelde] is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie en een jeugddetentie voor de duur van 182 dagen, met bevel dat een op 120 dagen bepaald gedeelte van de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: DJGB), meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek en gedurende zes maanden deelneemt aan een ITB Harde Kern-traject, is het hof tot een beslissing gekomen.

Inhoud van de vordering

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging gevorderd, met omzetting van de 120 dagen jeugddetentie naar een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.

Procesgang

De advocaat-generaal heeft op 20 september 2016 een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie ingediend. Het hof heeft deze vordering bij beslissing van 16 maart 2017 afgewezen. Daarnaast heeft het hof in hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht aanleiding gezien de bijzondere voorwaarde voor de resterende tijd van de proeftijd te wijzigen, in die zin dat de veroordeelde zich niet langer zal melden bij DJGB, maar bij de Reclassering Nederland (jong volwassenen).
Het hof heeft kennis genomen van de schriftelijke vordering van de advocaat-generaal van 5 april 2018 en de bij die vordering overgelegde stukken in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer en heeft ter terechtzitting van 31 mei 2018 de advocaat-generaal, de veroordeelde en diens raadsman gehoord.

Beoordeling

De veroordeelde is na een behandeling op tegenspraak veroordeeld tot een (deels) voorwaardelijke straf waarvan thans de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.
De vordering is tijdig door de advocaat-generaal ingesteld.
Op grond van de behandeling ter terechtzitting en gelet op artikel 77dd van het Wetboek van Strafrecht vindt het hof termen om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Naar aanleiding van de vordering van de advocaat-generaal van 20 september 2016, heeft de veroordeelde op de terechtzitting van 29 november 2017 ongeveer drie maanden de tijd gekregen om de door hem gemaakte voornemens waar te maken en zijn leven op de rit te krijgen. Op de terechtzitting van 16 maart 2017 bleek dat het gedrag van de veroordeelde zich positief had ontwikkeld. Het hof heeft daarin aanleiding gezien de veroordeelde een laatste kans te geven.
Uit een brief van de Reclassering Nederland van 6 maart 2018 blijkt dat de start van het toezicht onmogelijk is gebleken, omdat de veroordeelde herhaaldelijk afspraken niet is nagekomen en ook na een laatste waarschuwing niet is verschenen zonder tegenbericht. De reclassering heeft geadviseerd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.
Ter terechtzitting van 31 mei 2018 heeft de veroordeelde spijt betuigd ten aanzien van het niet nakomen van afspraken met de reclassering. Volgens de veroordeelde had hij in die periode veel last van heel sterke sombere gevoelens en kon hij zich niet zetten tot het nakomen van gemaakte afspraken. Hij heeft zichzelf thans weer gemotiveerd en werkt sinds 16 april 2018 fulltime in de sales en is al na drie weken gepromoveerd tot teamleider.
Het hof heeft er begrip voor dat het moeilijk kan zijn om afspraken na te komen als er sprake is van heel sterke gevoelens van somberheid. Het hof is desalniettemin van oordeel dat de veroordeelde meer had kunnen en moeten doen om het contact met de reclassering positief te laten verlopen. Indien de veroordeelde het niet kon opbrengen om de afspraken na te komen, dan had hij aan de bel moeten trekken en gebruik kunnen en moeten maken van zijn sociale vangnet, zoals dat in de loop der jaren om hem heen is gecreëerd. Door op geen enkele wijze hulp in te schakelen heeft de veroordeelde zijn verantwoordelijkheid niet genomen en de reclassering in het duister laten tasten omtrent de reden waarom de veroordeelde niet verscheen. Dit klemt temeer nu de veroordeelde (niet voor de eerste keer) een laatste kans was geboden.
Het hof is derhalve van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging in principe moet worden toegewezen.
Het hof ziet echter aanleiding om de jeugddetentie niet in zijn geheel ten uitvoer te leggen, en tevens om de opgelegde jeugddetentie om te zetten in een werkstraf. Hoewel de veroordeelde de opgelegde meldplicht niet heeft nageleefd, heeft hij zich wel gehouden aan de overige opgelegde bijzondere voorwaarden, te weten het meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en het gedurende zes maanden deelnemen aan een ITB Harde Kern-traject. Een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie zonder meer zou naar het oordeel van het hof geen recht doen aan de positieve ontwikkelingen die de veroordeelde in zijn proeftijd heeft doorgemaakt. Voorts kleeft daaraan het risico dat deze ontwikkelingen door detentie teniet zouden worden gedaan. Gelet hierop en in aanmerking genomen de omstandigheid dat het gaat om feiten van bijna vier jaar geleden en nu de veroordeelde daarna niet meer in aanraking is geweest met politie, acht het hof in dit geval omzetting van een gedeelte van de jeugddetentie in een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslissing

Het hof:
Wijst gedeeltelijk toe de vordering van het openbaar ministerie en gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van 10 mei 2016, te weten 30 dagen jeugddetentie, te vervangen door een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.
Wijst af de vordering voor het overige.
Deze beslissing is genomen door mr. P.F.E. Geerlings, mr. A.M. Kengen en mr. T. de Bont, in tegenwoordigheid van mr. S.M. van Zanten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 mei 2018.
mr. T. de Bont is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.