De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk invoeren van een hoeveelheid heroïne via Schiphol. In eerste aanleg werd hij veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf. De verdediging stelde dat verdachte niet wist dat er heroïne in zijn koffer zat en dat deze mogelijk door een ander was geplaatst.
Het hof oordeelde dat verdachte wisselende verklaringen had afgelegd en dat het uitgangspunt geldt dat een passagier verantwoordelijk is voor de inhoud van zijn bagage. Er waren geen bijzondere omstandigheden die dit uitgangspunt konden doorbreken. De verdediging kon niet aannemelijk maken dat de heroïne zonder medeweten van verdachte in de koffer was geplaatst.
Het hof achtte bewezen dat verdachte willens en wetens de kans aanvaardde dat de koffer verdovende middelen bevatte. Gezien de hoeveelheid heroïne was sprake van handel. Het hof veroordeelde verdachte tot 36 maanden gevangenisstraf, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat hij geen eerdere veroordelingen had.