ECLI:NL:GHAMS:2018:219
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging effectenleaseovereenkomsten wegens tijdige stuiting verjaring door collectieve procedure
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de effectenleaseovereenkomsten tussen appellante en Dexia rechtsgeldig vernietigd konden worden en of de verjaringstermijn was gestuit. Het hof verwees naar een eerder tussenarrest en stelde vast dat betalingen vanaf een rekening mede op naam van de overleden echtgenoot van appellante een bewijsvermoeden opriepen dat hij bekend was met de leaseovereenkomsten. Appellante ontzenuwde dit vermoeden met getuigenverklaringen.
Daarnaast werd het beroep op de stuitende werking van een collectieve procedure besproken. De Hoge Raad had eerder geoordeeld dat een collectieve procedure de verjaring van individuele vernietigingsvorderingen stuit. Het hof volgde deze lijn en oordeelde dat de dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure de verjaring van de vernietigingsvordering tijdig had gestuit.
Voor de leaseovereenkomst van 13 april 1999 oordeelde het hof dat de echtgenoot van appellante niet eerder dan 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomst, mede op basis van getuigenverklaringen. Dexia's tegenargumenten werden verworpen als onvoldoende onderbouwd. Het hof verklaarde de leaseovereenkomsten rechtsgeldig vernietigd, veroordeelde Dexia tot terugbetaling van betaalde bedragen met wettelijke rente en veroordeelde Dexia in de proceskosten.
Uitkomst: De effectenleaseovereenkomsten zijn rechtsgeldig vernietigd en Dexia is veroordeeld tot terugbetaling met wettelijke rente.