ECLI:NL:GHAMS:2018:2206
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- C.G. Kleene-Eijk
- G.J. Driessen - Poortvliet
- C.M.J. Peters
- Rechtspraak.nl
Toepassing Marokkaans recht op huwelijksgoederenregime wegens onvoldoende verblijf in Nederland
Partijen zijn in 1996 gehuwd en hun huwelijk is in 2017 ontbonden. Zij hebben twee minderjarige kinderen. De vrouw heeft sinds 2014 de Belgische nationaliteit, voorheen had zij de Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit. De man is Marokkaans. Na het huwelijk hebben zij wisselende verblijfsplaatsen gehad, waaronder periodes in Spanje, Marokko en België, met gezamenlijke verblijven in Nederland.
De rechtbank had geoordeeld dat Marokkaans recht van toepassing is op hun huwelijksgoederenregime omdat niet is voldaan aan het vereiste van een onafgebroken verblijf van tien jaar in Nederland door beide partijen. De vrouw betwistte dat het verblijf onafgebroken moest zijn en stelde dat de intentie altijd was geweest om in Nederland te wonen.
Het hof overweegt dat het verblijf van de man in Nederland niet duurzaam was vanwege onderbrekingen en zijn intenties om in Spanje en Marokko te verblijven. Daarom is niet voldaan aan het vereiste van artikel 7 lid 2 aanhef Pro en onder 2 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, zodat Marokkaans recht blijft gelden.
De vrouw vordert een vergoeding op grond van Marokkaans recht voor haar bijdragen aan het vermogen van de man. Het hof stelt de vergoeding vast op 20% van de waarde van de woning in Marokko, wat neerkomt op € 10.080,-, en veroordeelt de man tot betaling hiervan. De overige vorderingen van de vrouw worden afgewezen.
Uitkomst: Marokkaans recht is van toepassing en de man moet de vrouw € 10.080,- betalen als vergoeding.