Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellante sub 1] ,
2. [appellante sub 2] ,
3. [appellante sub 3] ,
4. [appellante sub 4] ,
,
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin het ouderschap van een overleden man ten aanzien van geïntimeerden is vastgesteld. Het hof heeft onderzocht wie als belanghebbende kunnen worden aangemerkt en dus ontvankelijk zijn in het hoger beroep.
De man is in 2013 overleden en was gehuwd met appellante sub 1, met wie hij vijf kinderen had, waaronder appellanten sub 2 tot en met 5. De rechtbank had eerder het vaderschap van de man vastgesteld ten aanzien van geïntimeerden. Appellanten sub 2 tot en met 5 zijn afstammelingen van de man, terwijl appellante sub 1 zijn weduwe en erfgenaam is.
Het hof sluit aan bij het Procesreglement overige zaken en overweegt dat in procedures tot vaststelling van vaderschap van een overleden man de afstammelingen als belanghebbenden worden aangemerkt. De weduwe, hoewel erfgenaam, heeft slechts een afgeleid belang en is daarom niet ontvankelijk in hoger beroep. Dit oordeel wijkt af van eerdere rechtspraak, maar is gebaseerd op een actuele interpretatie van het procesreglement en de relevante wetsartikelen.
Het hof verklaart appellante sub 1 niet-ontvankelijk en appellanten sub 2 tot en met 5 ontvankelijk in hun hoger beroep. Verdere beslissing wordt aangehouden en partijen worden opgeroepen voor een nieuwe zitting.
Uitkomst: Het hof verklaart de weduwe niet-ontvankelijk en de afstammelingen ontvankelijk in hun hoger beroep.