ECLI:NL:GHAMS:2018:2596

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juli 2018
Publicatiedatum
24 juli 2018
Zaaknummer
23-003654-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 300 SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met verworpen beroep op noodweerexces

Op 10 januari 2016 vond in Beverwijk een incident plaats waarbij verdachte de aangever mishandelde door hem tegen het lichaam te schoppen. Dit volgde nadat de aangever met zijn auto op verdachte inreed, hetgeen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding vormde.

Het hof stelde vast dat de noodweersituatie was geëindigd toen de aangever met zijn auto wegreed. Verdachte zocht daarna bewust de confrontatie op door zijn jas en tas af te leggen en samen met een medeverdachte op de aangever af te lopen, waarna hij geweld gebruikte. Het hof oordeelde dat dit gedrag niet als verdediging kon worden gezien, maar als aanvallend.

Het beroep op noodweerexces werd daarom verworpen en verdachte werd strafbaar verklaard voor mishandeling. De opgelegde straf is een taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onevenredige belasting van het strafgeding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur wegens mishandeling, beroep op noodweerexces verworpen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003654-17
datum uitspraak: 23 juli 2018
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-086699-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
wonende aan de [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 10 januari 2016 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door deze met zijn duim/vinger in het oog te drukken en/of een of meermalen tegen het hoofd en/of tegen lichaam te slaan en/of te schoppen;
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting als standpunt naar voren gebracht dat met de tenlastegelegde mishandeling is gedoeld op de handelingen die de verdachte en [medeverdachte] hebben uitgevoerd nádat voor de eerste keer door de aangever met zijn auto op de verdachte is ingereden. De raadsman van de verdachte heeft hierop aangegeven dat de verdediging de tenlastelegging ook op deze manier heeft uitgelegd. Het hof zal de tenlastelegging dan ook zo lezen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 10 januari 2016 te Beverwijk [slachtoffer] heeft mishandeld door deze tegen het lichaam te schoppen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de dan op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Zowel de advocaat-generaal als de raadsman hebben het standpunt ingenomen dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het hof – na vaststelling dat de verdachte de mishandeling van [slachtoffer] heeft gepleegd, en dit een strafbaar feit is – moet komen tot de beslissing dat de verdachte geen strafbare dader is, omdat sprake was van noodweerexces.
Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast.
Op 10 januari 2016 waren de verdachte en [medeverdachte] in Beverwijk, rijdend in een auto. De verdachte bestuurde de auto. Nadat de verdachte de aangever, [slachtoffer], had waargenomen aan de overzijde van de straat, is hij uit de auto gestapt en naar de auto van de aangever gelopen. Op de bewakingsbeelden van het casino is te zien dat de verdachte tegen de bumper van de auto van de aangever schopt.
Hierop rijdt aangever een stuk achteruit, om vervolgens op de verdachte in te rijden. De verdachte wordt door de auto geraakt, waarop de aangever wegrijdt. De verdachte loopt richting zijn eigen auto. De aangever keert zijn auto en rijdt terug richting de auto van de verdachte. Op het moment dat de aangever uit zijn auto stapt trekt de verdachte zijn jas uit. Vervolgens legt de verdachte zijn jas door het geopende portierraam in zijn auto, doet zijn tas af en legt deze ook in zijn auto. De verdachte en [medeverdachte] lopen op hem af. Wat volgt is een worsteling, waarbij de verdachte de aangever tegen zijn lichaam schopt.
Het hof overweegt naar aanleiding van het bovenstaande en het gevoerde verweer als volgt.
Het hof stelt vast dat voor de verdachte op enig moment sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, nu de aangever met zijn auto op hem inreed. Op grond van de camerabeelden (en de beschrijving van die beelden) stelt het hof voorts vast dat deze noodweersituatie was geëindigd nadat de aangever met zijn auto was weggereden. In de situatie als de onderhavige, waarin de noodweersituatie zelf reeds is geëindigd, kan nog steeds een beroep op noodweerexces aan de orde zijn. Kenmerk van noodweerexces is echter dat het moet gaan om een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van
noodzakelijke verdediging.Een beroep op noodweer(exces) kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Het hof stelt op grond van de aangifte, de camerabeelden en de beschrijving daarvan door de verbalisanten vast dat van een verdediging(swil) geen sprake was: de verdachte loopt, nadat hij was aangereden door de aangever, naar zijn eigen auto. Op het moment dat hij ziet dat de aangever in de nabijheid zijn auto stil zet, doet de verdachte zijn jas uit, doet hij zijn tasje af en legt deze goederen in zijn auto. Vervolgens loopt hij - mét de medeverdachte [medeverdachte] - in de richting van de aangever, die inmiddels is uitgestapt en naast zijn auto is gaan staan. Vervolgens oefent hij geweld uit jegens de aangever, ook nadat de aangever inmiddels weer in zijn auto heeft plaatsgenomen. Dit alles terwijl hij zich ook aan de confrontatie met de aangever, die hij aanvankelijk zelf had opgezocht, had kunnen onttrekken.
Het hof is op grond van deze feiten van oordeel dat het vervolgens door de verdachte en [medeverdachte] mishandelen van de aangever aanvallend van aard was en niet het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan (eerder) voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Het hof verwerpt daarmee het beroep op noodweerexces en stelt vast dat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Door de aangever tegen zijn lichaam te schoppen, heeft de verdachte hem pijn toegebracht. Daarnaast heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Bovendien kunnen feiten als het onderhavige, waarbij geweld in het openbaar wordt aangewend, bijdragen aan een gevoel van angst en onveiligheid bij omstanders.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.544,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. M. Lolkema en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
23 juli 2018.
mr. Dubelaar is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
[...]