ECLI:NL:GHAMS:2018:2803

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 augustus 2018
Publicatiedatum
7 augustus 2018
Zaaknummer
23-002101-17
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 63 SrArt. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis behalve straf; taakstraf opgelegd wegens rijden zonder geldig rijbewijs

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter in Amsterdam van 1 juni 2017 bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de gronden waarop deze berust. De politierechter had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.

De advocaat-generaal had dezelfde straf geëist, terwijl de raadsman van de verdachte verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte verkeerde in een moeilijke situatie, had zijn bedrijf, huis en gezin verloren en kampte met stressklachten. Positieve ontwikkelingen, zoals een nieuw bedrijf en woning, waren sinds kort zichtbaar.

Het hof nam deze persoonlijke omstandigheden mee en vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken niet passend. Gezien de ernst van het feit en eerdere veroordelingen wegens soortgelijke overtredingen, werd de gevangenisstraf beperkt tot één dag. Daarnaast werd een taakstraf van 60 uur opgelegd, die bij niet-nakoming kan worden vervangen door 30 dagen hechtenis.

De strafwijziging dient het maatschappelijke belang en voorkomt het doorkruisen van de positieve ontwikkelingen bij de verdachte. Het vonnis is in zoverre vernietigd en opnieuw vastgesteld, waarbij het overige vonnis wordt bevestigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot één dag gevangenisstraf en 60 uur taakstraf wegens rijden zonder geldig rijbewijs.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002101-17
datum uitspraak: 6 augustus 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96‑234092-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de gronden waarop de straf berust. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman van de verdachte heeft op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte verzocht de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. De verdachte verkeerde in een moeilijke situatie. Hij is zijn bedrijf, huis en gezin kwijt geraakt en ondervindt daarvan behoorlijke stressklachten. Sinds het afgelopen jaar zijn er positieve ontwikkelingen in zijn leven, in de zin dat hij een nieuw bedrijf en een eigen woning heeft. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou schadelijk zijn voor de verdachte en de positief ingeslagen weg doorkruisen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft het openbaar gezag ondermijnd door als bestuurder met een motorrijtuig op de openbare weg te rijden, terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte wist dat hij niet mocht rijden, en hij heeft dit bewust naast zich neergelegd.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juli 2018 is hij eerder ter zake van overtredingen van artikel 9, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in zijn nadeel.
Een gevangenisstraf zoals door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal geëist is dan ook alleszins passend. In het voordeel van de verdachte houdt het hof echter rekening met voornoemde gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Het is onwenselijk, ook vanuit het oogpunt van het maatschappelijke belang om herhaling van het plegen van misdrijven te voorkomen, deze positieve ontwikkelingen te doorkruisen door het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
Gelet op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden die zich hebben voorgedaan ziet het hof aanleiding af te wijken van de straf zoals door de politierechter opgelegd en zoals door de advocaat-generaal geëist, en zal het – rekening houdend met het taakstrafverbod – de gevangenisstraf beperken tot de duur van één dag. Nu de verdachte grotendeels tot een lichtere strafmodaliteit – een taakstraf – zal worden veroordeeld, is een taakstraf van langere duur geboden, gelet op de ernst van het feit en de recidive.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de gronden waarop de straf berust, en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) dag.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. M. Lolkema en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van A.D. Renshof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 augustus 2018.
mr. C.N. Dalebout is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
[…]