In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is vastgesteld dat verdachte op 26 augustus 2016 te Amsterdam het slachtoffer met een gebalde vuist tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor het slachtoffer letsel en pijn heeft ondervonden.
De verdediging voerde aan dat identificatie van verdachte niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld, maar het hof verwierp dit verweer op basis van het proces-verbaal en de getoonde pasfoto aan de aangever. Het hof achtte het bewezenverklaarde wettig en overtuigend bewezen.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De straf is gebaseerd op de ernst van het feit, het letsel bij het slachtoffer, het openbare karakter van het geweld en de recidive van verdachte.
De strafrechtelijke kwalificatie is mishandeling, en er zijn geen omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigen. Het hof legde de straf op met inachtneming van de persoon van verdachte en de maatschappelijke impact van het geweld.