ECLI:NL:GHAMS:2018:2931

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 juli 2018
Publicatiedatum
15 augustus 2018
Zaaknummer
23-001376-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep belediging politieambtenaar door middelvinger opsteken

Op 14 september 2016 werd verdachte in Amsterdam staande gehouden door een politieambtenaar nadat hij door twee vrouwen werd beschuldigd hen te volgen. De verbalisant probeerde de verdachte, die op een fiets reed, tot stoppen te manen. Toen de verdachte weigerde te stoppen, blokkeerde de verbalisant zijn weg met het dienstvoertuig. De verdachte reageerde door meermalen de middelvinger op te steken richting de verbalisant, waarna hij werd aangehouden.

In hoger beroep betoogde de raadsman dat de aanhouding niet proportioneel was en de verbalisant niet in rechtmatige uitoefening van zijn bediening handelde. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de verbalisant op gepaste wijze handelde. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de politieambtenaar heeft beledigd door het opsteken van de middelvinger tijdens diens rechtmatige bediening.

De politierechter had in eerste aanleg een voorwaardelijke geldboete van €150,- opgelegd. Het hof bevestigde deze straf, waarbij het belang van respect voor openbaar gezag en de ernst van het feit werden meegewogen. De straf is voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een subsidiaire hechtenisstraf van drie dagen. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €150,- wegens belediging van een politieambtenaar door middelvinger opsteken.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001376-17
datum uitspraak: 27 juli 2018
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 april 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-189000-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 oktober 2017 en 13 juli 2018.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, [verbalisant], gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door meermalen, althans eenmaal in de richting van voornoemde [verbalisant] de middelvinger op te steken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

Het hof verstaat het verweer van de raadsman aldus dat hij heeft willen betogen dat de verbalisant niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was nu de wijze van staande houden en aanhouden van de verdachte niet als proportioneel kan worden aangemerkt.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het proces-verbaal aanhouding van 14 september 2016 en het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris van 11 december 2017 blijkt dat de verbalisant [verbalisant] (hierna: [verbalisant]) werd aangesproken door twee vrouwen omdat zij gevolgd zouden worden door de verdachte. [verbalisant] is toen in zijn dienstvoertuig achter de verdachte – die zich op een fiets bevond – aangereden om hem staande te houden. Toen hij naast de verdachte reed, heeft hij op duidelijke wijze de verdachte verzocht om te stoppen. Omdat de verdachte dit weigerde, heeft [verbalisant] getracht de weg van de verdachte te blokkeren met zijn voertuig. Desondanks koos de verdachte ervoor om door te fietsen en daarbij zijn middelvinger meermalen op te steken richting [verbalisant]. Hierop besloot [verbalisant] de verdachte aan te houden voor belediging en is hij achter de verdachte blijven aanrijden. Uiteindelijk werd de verdachte de weg versperd door inmiddels gearriveerde collega’s, is [verbalisant] uit zijn voertuig gestapt en heeft de verdachte tot stoppen weten te brengen door op hem te springen, hetgeen tot gevolg had dat beiden ten val kwamen.
Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verbalisant op gepaste wijze de verdachte heeft geprobeerd tot stilstand te brengen met zijn voertuig, nadat hij de verdachte op niet mis te verstane wijze had gemaand om te stoppen. Ten tijde van het tenlastegelegde was de verbalisant derhalve in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 september 2016 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, [verbalisant], gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden heeft beledigd, door meermalen in de richting van voornoemde [verbalisant] de middelvinger op te steken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 150 subsidiair 3 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de voorlopige hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft verzocht om – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, gelet op de wijze van aanhouding en het letsel dat de verdachte daarvan heeft bekomen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van een politieambtenaar in functie. Terwijl de verdachte gemaand was te stoppen door de verbalisant heeft hij al fietsend zijn middelvinger meermalen opgestoken richting de verbalisant. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de verbalisant aangetast in zijn eer en goede naam, maar ook blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag.
Anders dan de raadsman oordeelt het hof dat de betreffende verbalisant de verdachte vervolgens, ondanks diens ongelukkige val daarbij, op proportionele wijze en derhalve rechtmatig heeft aangehouden. In hetgeen de raadsman hieromtrent heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding tot matiging van de straf.
Het hof acht, alles afwegende en mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht, een voorwaardelijke geldboete zoals opgelegd door de politierechter passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 14 september 2016 onder CJIB nummer
13-189000-16.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
3 (drie) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. M.C. Oostendorp, in tegenwoordigheid van R. Rasink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 juli 2018.
mrs. M.J.A. Duker en M.C. Oostendorp zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]