ECLI:NL:GHAMS:2018:3144

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 april 2018
Publicatiedatum
31 augustus 2018
Zaaknummer
23-003255-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 SrArt. 24 Sr
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met stompen in het gezicht verworpen beroep op noodweer

Op 21 augustus 2015 mishandelde de verdachte te Amsterdam het slachtoffer door hem meerdere malen in het gezicht te stompen. De verdachte stelde dat hij handelde uit noodweer omdat het slachtoffer agressief was en met zijn armen zwaaide, wat hem deed vrezen voor een aanval.

Het hof verwierp dit verweer omdat niet aannemelijk was dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of dreiging daarvan. De waarnemingen van de verbalisant en de verklaringen van de verdachte zelf ondersteunden niet dat het slachtoffer als eerste geweld gebruikte.

Het hof achtte het bewezen dat de verdachte het slachtoffer mishandelde en verklaarde het bewezen verklaarde strafbaar. De strafbaarheid van de verdachte werd bevestigd, het beroep op noodweerexces faalde eveneens.

De politierechter had een geldboete van 1.000 euro opgelegd, de advocaat-generaal eiste 500 euro. Het hof legde een voorwaardelijke geldboete van 750 euro op, rekening houdend met de ernst van het feit, de omstandigheden, het verleden van de verdachte en de tijd die sinds het feit was verstreken.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met een voorwaardelijke geldboete en een gevangenisstraf van 15 dagen als subsidiaire straf, die niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij de verdachte binnen de proeftijd opnieuw strafbare feiten pleegt.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor mishandeling met een voorwaardelijke geldboete van 750 euro en een subsidiaire gevangenisstraf van 15 dagen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003255-17
datum uitspraak: 26 april 2018
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-260128-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 april 2018.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] een of meermalen in/op het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd, te stompen en/of te slaan;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte en heeft hiervoor twee gronden aangedragen. Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe dat hetgeen de raadsman daaraan in essentie ten grondslag heeft gelegd feitelijk niet aannemelijk is geworden.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit heeft gehandeld uit noodweer. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat moet worden uitgegaan van de lezing van de verdachte, te weten dat de aangever dronken was en agressief begon te schreeuwen en met zijn armen zwaaide en daarbij de verdachte onder zijn ogen raakte, waardoor de verdachte vreesde dat hij mishandeld zou worden. Aldus was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf en was het noodzakelijk om daar met geweld op te reageren.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.
Verbalisant [verbalisant] heeft gezien dat de verdachte en de aangever schreeuwend tegenover elkaar stonden en dat de verdachte toen zijn rechtervuist balde en twee keer achter elkaar in het gezicht van de aangever sloeg. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan die waarneming. Het bestaan van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een dreiging daarvan is in zoverre feitelijk niet aannemelijk geworden. Dat de aangever de eerste was die op enigerlei wijze geweld gebruikte, vindt voorts geen steun in de aangifte, noch volgt dat ondubbelzinnig uit de verklaringen van de verdachte zelf, zoals hij deze tegenover de politie heeft afgelegd direct na de mishandeling ter plekke en op diezelfde dag op het politiebureau. Voor zover de aangever bij of voorafgaand aan het schreeuwen met zijn armen zou hebben gezwaaid, is niet aannemelijk geworden dat dit gedrag van dien aard was, dat de verdachte moest vrezen voor een aanval.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 21 augustus 2015 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] meermalen in het gezicht te stompen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte, door de ten laste gelegde gedragingen, weliswaar mogelijk de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.
Het hof heeft reeds geconstateerd dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een dreiging daarvan. Daardoor faalt het beroep op noodweerexces evenzeer. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van 1.000 euro, subsidiair 20 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van 500 euro, subsidiair 10 dagen hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Het hof heeft gelet op de straf die in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt een geldboete van 750 euro genoemd. Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële documentatie van 30 maart 2018, waaruit volgt dat hij niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld en dat hij na onderhavig feit niet wederom met justitie in aanraking is gekomen voor nieuwe strafbare feiten. Het hof heeft hiermee, alsmede met het gegeven dat het bewezenverklaarde feit geruime tijd geleden is gepleegd, in strafmatigende zin rekening gehouden en ziet daarom aanleiding om de geldboete in voorwaardelijke vorm op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van 750 euro passend en geboden.
In het voorgaande ligt besloten dat gelet op de ernst van het feit niet, zoals bepleit door de raadsman, kan worden volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 april 2018.