Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter van 23 augustus 2017, waarin verdachte was veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter vanwege een andere bewezenverklaring en strafoplegging.
De verdediging stelde dat de staandehouding en aanhouding onrechtmatig waren omdat verdachte niet gesignaleerd stond voor een openstaande gevangenisstraf. Het hof verwierp dit verweer op basis van politiedocumenten die het tegendeel bewezen. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 20 mei 2017 te Amsterdam zes wikkels met cocaïne bij zich had.
Gezien de eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke feiten en het taakstrafverbod volgens artikel 22b lid 2 Sr, kon geen taakstraf worden opgelegd. Het hof vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend vanwege de geringe hoeveelheid en persoonlijke omstandigheden en legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken op met een proeftijd van twee jaar. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd niet-ontvankelijk verklaard omdat deze straf al was uitgevoerd.