ECLI:NL:GHAMS:2018:3190

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 april 2018
Publicatiedatum
3 september 2018
Zaaknummer
23-003001-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 22b SrArt. 63 SrArt. 344 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens bezit van cocaïne en MDMA met eerdere veroordelingen

Op 6 augustus 2016 werd verdachte in Amsterdam betrapt op het bezit van 2,17 gram cocaïne en ongeveer 50 pillen MDMA. De politierechter veroordeelde hem aanvankelijk tot vier maanden gevangenisstraf. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis en verklaarde bewezen dat verdachte opzettelijk de genoemde hoeveelheden drugs bij zich had. Het hof nam daarbij kennis van eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke opiumdelicten, waaronder een taakstraf in februari 2016. Dit leidde tot de conclusie dat oplegging van een boete of taakstraf thans niet passend is.

Hoewel de advocaat-generaal een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden eiste, vond het hof een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend. Gezien de ernst van het feit en de jeugdige leeftijd van verdachte legde het hof een gevangenisstraf van één maand op.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 april 2018.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand voor bezit van cocaïne en MDMA.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003001-17
datum uitspraak: 20 april 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer
13-196273-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1991,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2018.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 6 augustus 2016 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,17 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 50 pillen/eenheden, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 augustus 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,17 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 50 pillen van een materiaal bevattende MDMA.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hieronder weergegeven bewijsmiddelen zijn vervat:
1. De
verklaring van de verdachteter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2018.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang:
Het klopt dat ik op 6 augustus 2016 in Amsterdam 2,17 gram cocaïne en ongeveer 50 pillen MDMA bij mij had.
2. Een
geschriftzijnde een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL1300-2016169716-5 van 6 augustus 2016, p. 17 – 21 doorgenummerd dossier.
3. Een
geschriftzijne een
rapport laboratorium forensische opsporing, rapportnummer 0966N16 van 22 augustus 2016, p. 24 – 25 doorgenummerd dossier.
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen 2 en 3 betreffen geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering en zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van het bewijsmiddel onder 1.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne en MDMA. Het gebruik van dergelijke verdovende middelen kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers en de financiering ervan kan gepaard gaan met diverse vormen van overlast gevende criminaliteit. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze harddrugs rouleren.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 maart 2018 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake opiumdelicten tot zowel boetes als een taakstraf. De verdachte heeft uit deze eerdere veroordelingen en strafopleggingen kennelijk geen lering getrokken, nu hij opnieuw is aangehouden voor een soortgelijk delict. Het hof rekent dit de verdachte aan. Uit voornoemd uittreksel blijkt dat de verdachte op 10 februari 2016 is veroordeeld ter zake van een opiumdelict tot een taakstraf. Aldus is aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het hier bewezen verklaarde opiumwetdelict een taakstraf opgelegd voor een soortgelijk misdrijf, welke taakstraf, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, ook door hem is verricht. Gelet daarop is artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (het zogeheten taakstrafverbod) van toepassing.
Het hof heeft bij de strafmaatbepaling rekening gehouden met hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht door de verdachte. Hij heeft te kennen gegeven zijn leven te willen beteren, maar laat tegelijkertijd zijn opties open om, als hij krap bij kas zit, eventueel weer nepdrugs te verkopen. De verdachte is blijkens voornoemd uittreksel eerder veroordeeld wegens de verkoop van nepdrugs. Ook zijn opmerking dat hij mogelijk komende zomer tijdens een festival “een pilletje meepakt” baart het hof zorgen en getuigt er niet van dat hij definitief het gebruik van harddrugs heeft afgezworen.
Op basis van de eerdere veroordelingen wegens soortgelijke feiten tot boetes en een taakstraf is het opleggen van een boete en/of taakstraf thans een gepasseerd station. Voor het opleggen van een enkele taakstraf geldt bovendien het bepaalde in artikel 22b Sr. In de eis zoals die door de advocaat-generaal is geformuleerd, komt naar het oordeel van het hof de ernst van het bewezen feit in onvoldoende mate tot uitdrukking. Het hof acht gelet op hetgeen hiervoor is overwogen enkel een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf nog passend. Het hof zal echter een lagere straf opleggen dan die is opgelegd door de politierechter, gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. M. Jurgens en mr. M.J. Dubelaar, in tegenwoordigheid van
mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 april 2018.
Mr. Jurgens en mr. Dubelaar zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.