ECLI:NL:GHAMS:2018:3376

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 mei 2018
Publicatiedatum
24 september 2018
Zaaknummer
23-0023388-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 SvArt. 9a SrArt. 36f Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mishandeling en niet-ontvankelijkheid schadevordering

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 14 mei 2018 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van 5 juli 2017. De verdachte werd ervan beschuldigd op of omstreeks 29 mei 2014 te Amsterdam mishandeling te hebben gepleegd door het slachtoffer te slaan, te duwen en te trappen.

Na bestudering van het procesdossier en de behandeling ter terechtzitting heeft het hof geoordeeld dat het ten laste gelegde niet overtuigend is bewezen. Daarom vernietigt het hof het vonnis van de politierechter en spreekt de verdachte vrij van de tenlastelegging.

De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend, die in eerste aanleg werd toegewezen. In hoger beroep heeft het hof deze vordering echter niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte is vrijgesproken. De benadeelde partij wordt verwezen naar de burgerlijke rechter voor haar schadevordering.

Het hof bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, bestaande uit de rechters G. Oldekamp, M. Lolkema en M.B. de Wit.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en de schadevordering wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-002388-17
Datum uitspraak: 14 mei 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van
de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer
13-023655-17 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
30 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 mei 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meerdere keren, althans een keer, (met kracht):
- in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen, en/of;
- in/tegen een kast te duwen, en/of;
- op/tegen de kuit en/of de rug, althans het lichaam, te trappen/schoppen;

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het feit zoals ten laste gelegd zal worden bewezen verklaard, en dat overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, en de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

Vrijspraak

Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.200, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.
Het hof overweegt als volgt.
Nu de verdachte van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin
zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. M. Lolkema en mr. M.B. de Wit, in tegenwoordigheid van
mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof
van 14 mei 2018.
mr. G. Oldekamp en mr. M.B. de Wit zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.