Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verdere procesverloop
2.De verdere beoordeling
a) een zo laag mogelijke aanvangshuur
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of partijen een afwijkend beding van artikel 7:303 BW Pro hadden overeengekomen in een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte. Na uitgebreid getuigenonderzoek concludeerde het hof dat het beding in artikel 9.7, dat een huurprijsaanpassing aan de marktwaarde na tien jaar mogelijk maakt, bewust en met kennis van zaken was overeengekomen door beide partijen.
De getuigen, waaronder betrokken makelaars en vertegenwoordigers van partijen, verklaarden unaniem dat zij het afwijkende karakter van artikel 9.7 herkenden en dat dit beding bewust was opgenomen, ondanks dat het afweek van het dwingende recht van artikel 7:303 BW Pro. De huurder WE had het beding weliswaar ondertekend zonder de inhoud ervan te accepteren, omdat men ervan uitging dat het dwingend recht bescherming bood, maar dit standpunt volstond niet om het beding niet overeengekomen te achten.
Het hof overwoog dat WE als grote professionele partij met gespecialiseerde bijstand de wettelijke bescherming van afdeling 7.4 BW redelijkerwijs niet behoefde, mede gezien haar sterke maatschappelijke positie en de omstandigheden van de onderhandelingen. Het afwijkende beding was een tegenwicht voor de relatief beperkte huurprijsverhoging die WE had weten te bedingen.
Daarom werd de bestreden beschikking van de kantonrechter, die het beding goedkeurde, bekrachtigd. De grieven van WE in het hoger beroep faalden en zij werd veroordeeld in de kosten van het principaal appel. De Stichting werd veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel en het incident. Het verzoek tot heropening van de enquête werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de goedkeuring van het afwijkende huurprijsbeding en wijst het hoger beroep van WE af.