Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van mensenhandel en uitbuiting van een vrouw in de prostitutie in België. De tenlastelegging omvatte onder meer het werven, vervoeren en uitbuiten van het slachtoffer met gebruik van dwangmiddelen en het bevoordelen uit haar verdiensten.
De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van zes maanden en een schadevergoeding aan het slachtoffer, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte vanwege onvoldoende bewijs en betwisting van medeplegen. Het hof nam kennis van de verklaringen, het dossier en de standpunten van partijen.
Het hof oordeelde dat de bewijsvoering onvoldoende was om vast te stellen dat verdachte het slachtoffer met het oogmerk tot prostitutie naar België heeft gebracht of haar heeft uitgebuit. Ook was er geen bewijs van betrokkenheid bij geweld of controle op de verdiensten. De verzoeken tot het horen van getuigen werden niet behandeld vanwege de vrijspraak.
De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen omdat verdachte niet schuldig werd bevonden. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover nodig en sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten. Iedere partij draagt eigen kosten.