ECLI:NL:GHAMS:2018:3939
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing en schorsing voorlopige hechtenis wegens ernstige drugsmisdrijven
Het Gerechtshof Amsterdam behandelde op 24 oktober 2018 het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, die was veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens meermalen medeplegen van de uitvoer van harddrugs. De verdachte was aanwezig met zijn raadsvrouw, die tevens subsidiair een verzoek tot schorsing van de hechtenis indiende.
Het hof constateerde dat artikel 77 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd, waardoor de verdachte niet tijdig zijn bezwaren tegen de voorlopige hechtenis kon kenbaar maken. Desondanks oordeelde het hof dat dit verzuim niet zodanig was dat het tot opheffing van de hechtenis moest leiden, mede omdat de rechtbank de gronden voor het gevangennemingsbevel niet had gespecificeerd, maar de 12-jaarsgrond (geschokte rechtsorde) wel aanwezig was.
De raadsvrouw stelde dat de verdachte onterecht in hechtenis was genomen omdat hij vindbaar was en zich niet aan berechting had onttrokken, maar het hof vond deze argumenten onvoldoende om de voorlopige hechtenis op te heffen. Ook het verzoek tot schorsing werd afgewezen, omdat er geen zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden waren die dit konden rechtvaardigen gezien de ernst van de feiten en het veroordelend vonnis.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis af vanwege de ernst van de feiten en aanwezigheid van de 12-jaarsgrond.