Op 8 oktober 2017 heeft de verdachte samen met een mededader in een tram te Amsterdam geprobeerd de tas van een slachtoffer heimelijk te openen met het oogmerk deze te beroven. De verdachte werd daarbij betrapt doordat het slachtoffer zag dat haar tas openstond.
De raadsvrouw van de verdachte voerde aan dat er onvoldoende bewijs was en dat het mogelijk slechts om een onbewuste aanraking ging. Het hof oordeelde echter dat het bewijs, waaronder de verklaring van de verbalisant en het slachtoffer, overtuigend was en dat sprake was van een gezamenlijke poging tot diefstal.
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf. In hoger beroep handhaafde het hof deze straf, mede gelet op eerdere buitenlandse veroordelingen van de verdachte voor soortgelijke feiten en het belang van speciale en generale preventie bij zakkenrollerij in grote steden.
Het hof achtte een voorwaardelijke straf niet passend en legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht.