ECLI:NL:GHAMS:2018:3998

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 oktober 2018
Publicatiedatum
31 oktober 2018
Zaaknummer
23-001813-17
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 422 SvArt. 27 SrArt. 27a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor bezit van grote hoeveelheid hennep

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam is de verdachte veroordeeld voor het bezit van een grote hoeveelheid hennep, namelijk 1278 gram hennep en drie plakken hasjiesj. De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was, met name vanwege identieke verklaringen van verbalisanten, maar het hof verwierp dit verweer en achtte de verklaringen betrouwbaar.

De politierechter had een taakstraf van 100 uur opgelegd, subsidiair 50 dagen hechtenis, maar het hof vond deze straf onvoldoende gezien de ernst van het feit en de omstandigheden. Het bezit van hennep in deze omvang wordt gezien als een ernstige illegale activiteit met schadelijke gevolgen voor volksgezondheid en criminaliteit.

Het hof nam ook mee dat de verdachte niet ter terechtzitting was verschenen en inmiddels teruggekeerd is naar Engeland. Hoewel de verdachte een strafblad in Engeland heeft, werd dit niet meegewogen wegens onbekendheid met details. Het hof legde daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken op, met aftrek van voorarrest.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en bevestigt het vonnis behalve ten aanzien van de strafoplegging.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken voor het bezit van een grote hoeveelheid hennep.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001813-17
datum uitspraak: 25 oktober 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer
13-702212-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een aanvullende bewijsoverweging opneemt.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, aanvullend op het in eerste aanleg gevoerde verweer, op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde feit, omdat er onvoldoende wettig bewijs in het dossier zit. Hiertoe heeft de raadsvrouw, kort samengevat, aangevoerd dat het in hoger beroep aan de stukken toegevoegde aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] niet waarheidsgetrouw is, omdat de antwoorden identiek zijn.
Het hof verwerpt het door de raadsvrouw aangevoerde verweer en overweegt dat het hof niet twijfelt aan de inhoud van de verklaringen van genoemde verbalisanten in hun aanvullende processen-verbaal van bevindingen, waar zij antwoord geven op door de verdediging geformuleerde verklaringen. Nu de verklaringen niet aanvullend tot het bewijs worden gebezigd, behoeft het verweer verder geen bespreking.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met aftrek.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft opzettelijk 1278 gram hennep en drie plakken hasjiesj aanwezig gehad. Het in een dergelijke omvang aanwezig hebben van hennep is een illegale activiteit waarmee aanzienlijke
– eveneens illegale – winsten kunnen worden behaald. Daarnaast is hennep bij gebruik niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar ook direct en indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit.
Het hof acht dit feit van zo’n ernstige aard dat een taakstraf daaraan onvoldoende recht doet. Daarbij komt dat de raadsvrouw niet gemotiveerd heeft bepleit een taakstraf op te leggen en de verdachte inmiddels is teruggekeerd naar Engeland en niet ter terechtzitting is verschenen. Het hof is al met al van oordeel dat enkel een vrijheidsbenemende straf in dit geval in aanmerking komt.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 september 2018 is hij in Nederland niet eerder onherroepelijk veroordeeld. De verdachte heeft naar eigen zeggen in Engeland wel een fors strafblad, welke omstandigheid het hof voor kennisgeving aanneemt, maar
– omdat het hof niet op de hoogte is van de aard en omvang van deze gestelde eerdere veroordelingen – verder niet bij het bepalen van de hoogte van de straf laat meewegen.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr P.F.E. Geerlings en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van I.J.A. Barends, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 oktober 2018.
Mr. Kengen en mr. Den Otter zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
[…]