ECLI:NL:GHAMS:2018:4026
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake niet-ontvankelijkheid en niet-toewijzing vordering tot overdracht huurovereenkomst
Appellant vorderde in eerste aanleg en in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis zou vernietigen en alsnog zijn vordering tot overdracht van een huurovereenkomst zou toewijzen. Hij stelde dat tussen hem en Gaziantep c.s. een overeenkomst was gesloten waarbij de huurovereenkomst zou worden overgedragen tegen een koopprijs van € 35.000. Gaziantep c.s. betwistten het bestaan van een dergelijke overeenkomst en voerden onder meer aan dat er geen overeenstemming was bereikt en dat de verhuurder geen huurovereenkomst met appellant wilde aangaan.
De kantonrechter wees de vordering af omdat appellant onvoldoende had gesteld over de totstandkoming en inhoud van de overeenkomst en de door hem genoemde bewijsstukken, zoals geluids- en video-opnames, niet had overgelegd. In hoger beroep werd dit standpunt bevestigd. Het hof oordeelde dat appellant wederom niet voldoende had toegelicht wat de inhoud en totstandkoming van de overeenkomst was, noch had hij de opnames overgelegd die het bestaan van de overeenkomst zouden kunnen bevestigen.
Het hof stelde vast dat de transcriptie van het gesprek tussen appellant en een vertegenwoordiger van Gaziantep c.s. onvoldoende bewijs leverde voor het bestaan van een overeenkomst. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat Gaziantep c.s. gehouden waren tot een (rechts)handeling jegens appellant. De vorderingen werden daarom afgewezen en het bestreden vonnis bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van appellant af wegens onvoldoende onderbouwing en bewijs.