Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in een zaak over woninginbraak op 12 juli 2015 te Amsterdam. Verdachte werd ervan beschuldigd samen met anderen juwelen, elektronica en andere goederen uit een woning aan de Noordhollandschkanaaldijk te hebben weggenomen door braak en inklimming.
De verdediging voerde aan dat de bloedsporen die in de woning waren aangetroffen niet tijdens de inbraak waren achtergelaten en dat er geen wettig en overtuigend bewijs was. Het hof oordeelde echter dat het DNA-profiel van verdachte op bloedsporen in de woning overeenkwam en dat deze sporen als dadersporen konden worden beschouwd. Het speculatieve verweer van verdachte werd verworpen.
Daarnaast achtte het hof medeplegen bewezen op grond van waarnemingen van verbalisanten die verdachten met gestolen goederen zagen wegrennen. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en veroordeelde verdachte tot een werkstraf van 50 uur en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 14 dagen met een proeftijd van 2 jaar, rekening houdend met persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordelingen.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de impact op slachtoffers en de samenleving, en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Het hof zag geen noodzaak voor bijzondere voorwaarden vanwege lopend toezicht en begeleiding.