ECLI:NL:GHAMS:2018:4084
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vaststelling kinderalimentatie bij niet-samenwonende ouders
Partijen hebben een relatie gehad waaruit een minderjarige is geboren. De man erkende het kind, de vrouw oefent het gezag uit en het kind woont bij haar. De rechtbank had een kinderalimentatie van €115 per maand vastgesteld, waartegen de man in hoger beroep ging met een verzoek tot verlaging.
Het hof overweegt dat partijen nooit in gezinsverband hebben samengeleefd, waardoor de behoefte van het kind wordt berekend als het gemiddelde van de behoefte op basis van het inkomen van beide ouders afzonderlijk. De man stelde een lager inkomen vast dan de rechtbank had aangenomen, maar onderbouwde dit onvoldoende. De vrouw stelde een veel hoger inkomen van de man, wat het hof aannemelijk achtte vanwege het uitgavenpatroon en het ontbreken van bewijs voor de lage inkomsten.
Het hof berekende de behoefte van het kind op €387 per maand en de draagkracht van de man op €971 per maand. Na toepassing van een zorgkorting van 5% tot 1 november 2017 en 15% daarna, werd de kinderalimentatie vastgesteld op €261 per maand vanaf 1 december 2016 en €222 per maand vanaf 1 november 2017. Het hoger beroep van de man werd verworpen, het incidenteel hoger beroep van de vrouw deels toegewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de man af en bepaalt de kinderalimentatie op €261 per maand vanaf 1 december 2016, met een zorgkorting vanaf 1 november 2017 waardoor het bedrag €222 wordt.