ECLI:NL:GHAMS:2018:4517

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 december 2018
Publicatiedatum
10 december 2018
Zaaknummer
23-003730-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis hennepkwekerij met afwijzing strafmaatverweer in hoger beroep

In deze strafzaak tegen verdachte wegens het opzettelijk telen van hennep en diefstal van elektriciteit, heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland bevestigd. Het hoger beroep richtte zich met name op een strafmaatverweer waarbij de verdediging pleitte voor een geldboete in plaats van een taakstraf.

De verdediging erkende het telen van hennep en stelde dat het aantal oogsten beperkt was, wat van belang zou zijn voor de strafmaat. Tevens werd aangevoerd dat verdachte zijn leven weer op de rit probeert te krijgen en een geldboete van duizend euro prefereert boven een taakstraf, mede vanwege het financiële aspect en het voorkomen van gezichtsverlies.

Het hof oordeelde dat er geen sprake was van meerdere oogsten maar van telen binnen de periode van 15 april tot en met 3 juni 2014. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep werd erkend, maar dit leidde niet tot strafvermindering. Het hof vond een geldboete niet passend vanwege het opzettelijke karakter van het telen en de diefstal van elektriciteit. Het verweer werd verworpen en het vonnis van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt het vonnis en wijst het strafmaatverweer af; verdachte krijgt een taakstraf opgelegd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003730-16 (strafzaak)
datum uitspraak: 7 december 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-870696-14 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 maart 2018 en 23 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof als volgt respondeert op een in hoger beroep gevoerd strafmaatverweer.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd strafmaatverweer

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat de verdachte het telen heeft erkend en dat de vaststelling van het aantal oogsten niet alleen van belang is in de ontnemingszaak maar ook in de strafzaak voor de strafmaat. Ook wijst de raadsman erop dat de verdachte zijn leven weer op de rit probeert te krijgen en de voorkeur geeft aan het betalen van een geldboete van duizend euro - een bedrag dat hij desnoods bereid en in staat is te lenen - boven het verrichten van een taakstraf van 60 uren. Een geldboete doet, volgens de raadsman, ook recht aan de ouderdom van de zaak. Voor zover de duur van het strafproces is veroorzaakt door het op verzoek van de verdediging horen van de twee getuigen, hetgeen een half jaar heeft gekost, is dat te wijten aan de verdediging, maar voor de rest is de tijdsduur niet te wijten aan de verdediging. De verdachte merkt nog op dat het uitvoeren van een taakstraf opnieuw zou leiden tot gezichtsverlies.
Het hof vindt in hetgeen naar voren is gebracht door de verdediging geen aanleiding af te wijken van
de straf zoals die is opgelegd door de rechtbank. Gezien de in de tenlastelegging opgenomen periode
van 15 april 2014 tot en met 3 juni 2014 is, anders dan de raadsman aanvoert, geen sprake van (meerdere) oogsten doch slechts - zoals ook zal worden bewezen - van telen.
Het hof stelt daarnaast vast dat in het hoger beroep (dat is ingesteld op 6 oktober 2016) de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met twee maanden is overschreden. Dit vormt geen aanleiding een lagere straf op te leggen, mede gezien hetgeen de raadsman in dit verband naar voren heeft gebracht. Het hof acht tot slot het opleggen van een geldboete niet passend, aangezien er niet alleen sprake is van het opzettelijk telen van hennepplanten, maar eveneens van diefstal van elektriciteit. Dat, zoals door de verdachte, kort samengevat, nog naar voren is gebracht, het water hem (financieel) aan de lippen stond, maakt dit niet anders. Dit kan geen excuus vormen voor het onderhavige strafrechtelijk verwijtbaar handelen.
Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof de oplegging van een geldboete niet passend, zodat
het verweer van de raadsman wordt verworpen. Het hof sluit zich daarnaast aan bij de overwegingen waarop de rechtbank de strafoplegging heeft gestoeld.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin
zitting hadden mr. S. Clement, mr. A.M. van Amsterdam en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid
van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof
van 7 december 2018.
[…]