ECLI:NL:GHAMS:2018:4635
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in hoger beroep na intrekking vordering
In deze strafzaak was tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Holland hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie. Tijdens de terechtzitting op 1 november 2018 gaf de advocaat-generaal aan het hoger beroep niet te willen voortzetten en de eerder ingediende grieven niet te handhaven. De raadsman van de verdachte gaf aan dat zijn cliënt geen inhoudelijke behandeling van het hoger beroep wenste.
Het hof overwoog dat de zaak al eerder zonder inhoudelijke behandeling in hoger beroep aan de orde was geweest, en dat intrekking van het rechtsmiddel na aanvang van de terechtzitting niet meer mogelijk is. Omdat geen rechtens te beschermen belang was gebleken bij voortzetting van de behandeling, verklaarde het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 1 november 2018. De griffier kon het arrest niet medeondertekenen. De beslissing betekent dat het hoger beroep van het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard en het vonnis van de rechtbank daarmee in stand blijft.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.