ECLI:NL:GHAMS:2018:4729
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis wegens ontbreken klemmende redenen
Het gerechtshof Amsterdam behandelde op 17 oktober 2018 het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, die was veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en ter beschikkingstelling met verpleging. De raadsman verzocht om opheffing omdat de voorlopige hechtenis volgens hem per 16 juli 2018 van rechtswege was geëindigd.
Het hof constateerde dat in een eerder tussenarrest van 15 juni 2018 ten onrechte niet was vermeld dat de behandeling werd aangehouden en voor welke periode. Volgens artikel 282 Sv Pro kan het onderzoek maximaal drie maanden worden geschorst bij voorlopige hechtenis, mits er klemmende redenen zijn. Het hof stelde vast dat er klemmende redenen bestonden, zoals het horen van getuigen, waardoor de voorlopige hechtenis niet automatisch was geëindigd.
De advocaat-generaal stelde het verzoek niet-ontvankelijk of af te wijzen, en subsidiair werd gevorderd tot gevangenneming. Het hof oordeelde dat het verzoek niet gelijk was aan een eerder verzoek en daarom ontvankelijk was, maar dat het verzoek inhoudelijk moest worden afgewezen omdat de voorlopige hechtenis niet was geëindigd. Er werd geen bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling gegeven en de subsidiaire gevangennemingsvordering werd niet behandeld.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen omdat de voorlopige hechtenis niet van rechtswege is geëindigd.