ECLI:NL:GHAMS:2018:5014

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 oktober 2018
Publicatiedatum
26 februari 2019
Zaaknummer
23-000884-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontnemingsvordering bij poging tot oplichting en schuldheling

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2018, waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor poging tot oplichting, schuldheling en meermalen medeplegen van oplichting en diefstal in vereniging met valse sleutels. Tevens werd aan de veroordeelde een ontnemingsvordering opgelegd tot betaling van € 1.500 aan de Staat.

Het openbaar ministerie had in eerste aanleg een hogere ontnemingsvordering van € 3.416,- gesteld, maar tijdens de zitting werd dit bedrag bijgesteld naar € 1.616,-. De veroordeelde stelde in hoger beroep dat hij slechts € 50,- van de pintransacties had gehouden en dat de opbrengst verdeeld moest worden over meerdere betrokkenen. Het hof oordeelde dat bij meerdere betrokkenen het voordeel pondspondsgewijs wordt verdeeld indien geen andere aanwijzingen bestaan.

Het hof hechtte geen geloof aan de verklaring van de veroordeelde dat hij slechts € 50,- had gehouden en ging ervan uit dat de opbrengst in de zaken waar de veroordeelde geld had gepind, door twee personen was gedeeld. Tevens corrigeerde het hof een kennelijke verschrijving in de berekening van de rechtbank. Uiteindelijk bevestigde het hof het vonnis en de ontnemingsvordering zoals vastgesteld door de rechtbank.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de veroordeling en de ontnemingsvordering van € 1.500,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000884-18
datum uitspraak: 18 oktober 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-741280-17 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 3.416,00. Ter terechtzitting van 22 februari 2018 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 1.616,00.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2018 -kort gezegd- veroordeeld ter zake van poging tot oplichting, schuldheling en meermaals medeplegen van oplichting en diefstal in vereniging met valse sleutels.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 8 maart 2018 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1500,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de veroordeelde is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 oktober 2018 veroordeeld terzake van -kort gezegd- poging tot oplichting, opzetheling, oplichting en (meermalen) diefstal in vereniging met valse sleutels.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
 een kennelijke verschrijving verbetert, en
 een in hoger beroep gevoerd verweer bespreekt.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman heeft betoogd dat de veroordeelde slechts € 50,- heeft mogen houden van alle pintransacties die hij heeft verricht. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het in elk geval niet juist is dat de veroordeelde bedragen worden ontnomen, waarvan vaststaat dat hij ze niet heeft gepind. Meer subsidiair dient de totale opbrengst van € 3.000,- door drie worden gedeeld, aangezien het niet aannemelijk is dat de veroordeelde de feiten alleen heeft gepleegd, aldus de raadsman.
Het hof stelt voorop dat indien meerdere personen betrokken zijn bij hetzelfde feitencomplex, als uitgangspunt dient te gelden het voordeel dat een ieder daadwerkelijk heeft genoten. Het voordeel wordt pondspondsgewijs verdeeld indien omtrent de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen andere aanwijzingen bestaan.
Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van de veroordeelde dat hij van alle pintransacties die hij heeft verricht slechts € 50,- zelf heeft gehouden. Anderszins is door betrokkene(n) geen inzicht gegeven in de wijze waarop de buit is verdeeld. Om die reden hanteert het hof het principe van een pondspondsgewijze verdeling. Vaststaat dat de veroordeelde gelden heeft gepind in de zaken 3, 12 en 13. Nu de veroordeelde steeds heeft verklaard met één ander de pintransacties te hebben verricht, gaat het hof, met de rechtbank, ervan uit dat zij de opbrengst in voornoemde zaken door tweeën hebben gedeeld.

Verbetering kennelijke verschrijving

De rechtbank heeft op pagina 3 van het vonnis de opbrengst van zaken 3 en 12 berekend als:
‘€ 1.250 / 2 = € 650,--’. Het hof neemt aan dat hier telkens is bedoeld ‘€ 1.250 / 2 = € 625,--’, ook aangezien de optelsom van de opbrengst in de verschillende zaken in dat geval (625 + 625 + 250) uitkomt op het door de rechtbank berekende totaal van € 1.500,--.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 oktober 2018.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000884-18
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 18 oktober 2018.
Tegenwoordig zijn:
mr. A.M. Kengen, raadsheer,
mr. M.A.T. van Willigen, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M.C.A. Bakker, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTE is gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.