ECLI:NL:GHAMS:2018:557

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2018
Publicatiedatum
20 februari 2018
Zaaknummer
23-002707-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis vernieling met aanpassing schadevergoeding benadeelde partij

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in een zaak van vernieling. De verdachte was niet verschenen na aanhouding, en het hof hield op 6 februari 2018 een terechtzitting. De advocaat-generaal diende een vordering in, maar de raadsvrouw van de verdachte was niet gemachtigd om te spreken.

Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, behalve ten aanzien van de schadevergoeding aan de benadeelde partij. De oorspronkelijke vordering van de benadeelde partij bedroeg €621,90, waarvan in eerste aanleg €395,00 werd toegewezen. Het hof stelde vast dat de benadeelde partij rechtstreeks schade had geleden tot dat bedrag en wees de vordering toe, maar wees het meerdere af wegens onvoldoende onderbouwing.

Daarnaast legde het hof een maatregel op op grond van artikel 36f Sr om de schadevergoeding te bevorderen. De wettelijke rente werd vastgesteld vanaf 28 februari 2016. De verdachte kreeg een hechtenisstraf van zeven dagen opgelegd bij niet-nakoming van de betalingsverplichting. Het arrest werd uitgesproken op 20 februari 2018 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor vernieling en wijst een schadevergoeding van €395,00 toe met wettelijke rente en een hechtenisstraf van zeven dagen bij niet-betaling.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002707-16
datum uitspraak: 20 februari 2018
TEGENSPRAAK (na aanhouding niet verschenen)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13‑043189-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De raadsvrouw heeft verklaard, anders dan voor de regiezitting van 20 december 2016, voor de zitting van heden niet gemachtigd te zijn en heeft evenmin verzocht om het woord te mogen voeren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 621,90. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 395,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden, nu de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 395,00 (driehonderdvijfennegentig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 28 februari 2016.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 395,00 (driehonderdvijfennegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2016 tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. P. Greve en mr. M.M. van der Nat, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 februari 2018.
Mr. P. Greve is buiten staat dit arrest te ondertekenen.