ECLI:NL:GHAMS:2018:73
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ondertoezichtstelling minderjarige wegens wegvallen ernstige ontwikkelingsbedreiging
De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter die een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de periode van 9 juni 2017 tot 9 juni 2018 had bevolen. De raad voor de kinderbescherming had een beschermingsonderzoek gedaan naar aanleiding van een zorgmelding en concludeerde dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk was vanwege de problematiek van de moeder, haar verleden en de onduidelijkheid over de opvoedvaardigheden van de ouders.
De ouders stelden dat de ontwikkelingsbedreiging niet concreet was en dat de situatie van de minderjarige goed was, met een stabiele thuissituatie en positieve ontwikkelingen bij de moeder. De raad en de gecertificeerde instelling (GI) handhaafden hun standpunt dat een gedwongen kader nodig was vanwege het gebrek aan openheid en de kwetsbaarheid van het kind.
Het hof oordeelde dat ten tijde van de beschikking de ernstige ontwikkelingsbedreiging aanwezig was en de ondertoezichtstelling gerechtvaardigd was. Echter, inmiddels was gebleken dat de minderjarige zich goed ontwikkelde, de ouders meewerkten met hulpverlening en de thuissituatie stabiel was. Daarom was de ondertoezichtstelling vanaf het moment van uitspraak niet langer noodzakelijk.
Het hof vernietigde de beschikking voor het gedeelte vanaf de datum van de uitspraak en wees het verzoek van de raad af om de ondertoezichtstelling voort te zetten. De eerdere beschikking werd voor het voorgaande gedeelte bekrachtigd.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt beëindigd vanaf de datum van uitspraak wegens het wegvallen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging.