ECLI:NL:GHAMS:2018:901
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak meineed wegens onvoldoende bewijs valsheid verklaring over financiers
In hoger beroep is de verdachte beschuldigd van meineed, omdat zij zou hebben verklaard met meerdere potentiële financiers te hebben gesproken, terwijl dit niet het geval zou zijn. De tenlastelegging betrof meerdere verklaringen die de verdachte zou hebben afgelegd bij de rechter-commissaris.
De verdediging stelde dat de dagvaarding nietig was wegens onduidelijkheid over welke verklaring vals zou zijn. Het hof oordeelde echter dat voldoende duidelijk was dat het verwijt zag op de stelling dat de verdachte slechts met één potentiële financier had gesproken. De verdachte heeft zich ook daadwerkelijk tegen dit verwijt verdedigd.
Uit het bewijs, waaronder de verklaring van een getuige, curator in het faillissement van het bedrijf, kon niet worden vastgesteld dat de verdachte met meer dan één potentiële financier had gesproken. Hierdoor kon de valsheid van haar verklaring niet worden bewezen, noch dat zij deze opzettelijk vals heeft afgelegd.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van het tenlastegelegde meineed.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van meineed wegens onvoldoende bewijs van opzettelijk valse verklaring.